Ze zitten knus op een bankje, tegen een tussenwandje, naast het blauwe klapdeurtje. Het schuin aflopende dak van de dubbeldekker maakt het extra gezellig. Alsof de twee meiden zich samen genesteld hebben op een bed onder het schuine dak van de zolderkamer.

– ‘Je hebt van die kinderen die door de ouders achter de computer worden gezet. Ga jij maar spelen, zeggen de ouders dan. Hebben ze even geen last van de kinderen.’

Het andere meisje knikt bevestigend. ‘Bij mij op het kinderdagverblijf is het niet anders. Dan komen ze binnen en kruipen gelijk achter de computer. Spelletjes. We hebben er maar twee.’
– ‘Inderdaad, ze mogen maar een kwartiertje. En dan komen ze bij mij. Ik verveel me. Ga maar puzzelen, zeg ik dan. Speelgoed zat.’
‘Of knutselen met plaksel. En dat willen ze dan niet. Alleen maar achter die computer.’
– ‘Maar dat doen de ouders. Die zetten de kinderen achter dat scherm. Lekker makkelijk, heb je geen kind aan ze.’
– ‘Het is een maatschappelijk probleem, vind ik. Dit gebeurt gewoon en niemand vindt er iets van. Het is schandalig.’
‘Dat is inderdaad schandalig. Die kinderen doen niks meer en ze hebben nergens zin in.’
– ‘Maar al die ouders moeten werken. Ze moeten de hypotheek betalen en hebben nergens tijd voor.’
‘Een halve dag werken terwijl de kinderen naar school zijn, zit er niet in.’
– ‘Echt, het is een maatschappelijk probleem hoor. Er moet alleen maar geld verdiend worden en ze laten de kinderen maar…’

Ze knikken. Eigenlijk zouden ze nu uit hun glaasje thee moeten drinken. Gezellig, de knieën opgetrokken op het bed en dan lekker verder kletsen. Hoe een maatschappelijk probleem het probleem van de hele treincoupé werd.

Iedereen die het hoorde, allemaal een mening en niemand die iets zei.