‘Heb je het verteld aan de juf dat Sientje dood is?’ vroeg Inge. Ik kwam terug van school nadat ik Doris had weggebracht. ‘Nee’, antwoordde ik. ‘Ik denk dat ik in huilen uitbarst als ik het vertel.’ ‘Dat is niet zo handig’, vond Inge. ‘Dan hoort ze het Doris ineens vertellen.’ ‘We zullen wel zien’, antwoordde ik.

Vanmiddag bij het ophalen van Doris vroeg ik het haar juf toch maar. De brok in mijn keel was nog altijd erg groot. De tranen wist ik binnen te houden. ‘Ja’, zei ze. ‘Vanmiddag ineens in de groep, vertelde ze dat de hond dood was.’ De juf toonde medeleven. ‘Wat vervelend zeg. Voor mij is dat een reden om helemaal niet honden of katten te beginnen.’

Ze vroeg of we alweer uitzagen naar een andere hond. Ik vertelde dat we daar maar even van afzagen. ‘We zijn er te druk voor en we zijn er te vaak voor weg. Je moet er ook nog voor kunnen zorgen.’ Doris hing ondertussen al in het klimrek. Bezig met heel andere dingen dan de dood van haar hondje.

‘Let maar op’, zei de juf tegen mij. ‘Dat zal af en toe nog wel langskomen. Dan hoor je ineens een mededeling dat ze de hond mist’. ‘Ja’, antwoordde ik. ‘Al lijkt het dat een vijfjarige daar toch anders mee omgaat. Ik zit de hele dag te grienen.’