De minister van onderwijs Marja van Bijsterveldt vindt de hoogleraar te weinig college geeft. In een interview in de Volkskrant die ik een paar weken geleden ook aanhaalde, zei ze het volgende over de demonstratie van de hoogleraren in Den Haag:

‘Hm. Het was waardig. Maar ik had liever al die hoogleraren gewoon in collegezalen aan het werk gezien. Dat gebeurt veel te weinig, dat de professor echt een rol speelt in het onderwijs. Hij moet inspireren, diepgang brengen.’

De hoogleraren moeten eens van achter hun bureau vandaan komen en zich met het onderwijs bemoeien. Het is niet vreemd dat hiertegen veel hoogleraren in het verweer kwamen. Weet Marja van Bijsterveldt wel waar ze over praat?

Of deze opvatting waar is, laat ik eerst eens achterwege. Laat ik eens beginnen met de zogenaamde internationale lijsten met topuniversiteiten. Er zijn verschillende lijsten in omloop. Bijvoorbeeld de Shanghai ranking of de Times ranking. De laatste ranking geeft een duidelijke uitleg over de verdeling van de toekenning van een score. Ongeveer 30 procent wordt bepaald door het onderwijs. De rest van de index bestaat uit 30 procent voor onderzoek en 32,5 procent hoe vaak wetenschappers worden geciteerd. Voor het overige bepaalt de internationale mix van studenten en staf (5 procent) en hoeveel bedrijven aan geld besteden bij de universiteit.

Dat leert dus dat een universiteit het voor 65 procent moet hebben van onderzoek. De magere 30 procent die overblijft voor colleges toont dat universiteiten internationaal niet zozeer meetellen als leerfabrieken, maar meer als onderzoekslaboratoria. Iets dat naar mijn oordeel de mens werkelijk verder brengt. Onderwijs is zeker belangrijk, maar iets onderzoeken kan de mensheid pas echt verder brengen. Zeker ook als het nutteloos onderzoek is. Naar mijn oordeel zijn de grootste ontdekkingen en uitvindingen ontstaan per toeval.

Hoe zou het komen dat Van Bijsterveldt zo’n ander idee heeft van een universiteit? Laat ik beginnen met de opleiding. Ze heeft verpleegkunde-A, vertelt het curriculum vitae van Marja van Bijsterveldt. Mensen die niet aan een universiteit gestudeerd hebben, vinden het lastig om een beeld te vormen wat er nu eigenlijk precies op een universiteit gebeurt. Ze denken dat professoren de hele dag in hun kamer zitten (thuis of op de universiteit) en bladeren in stoffige boeken. Ze leven een prettig en geïsoleerd bestaan, zonder veel zorgen en vooral zonder al teveel les te geven.

Als dat het beeld van de universiteit is, dan heb je het dus goed mis. Voor de internationale prestige moeten wetenschappers een potentieel deel van hun tijd en geld in onderzoek steken. Hoogleraren moeten niet alleen voor de collegezaal staan, maar juist onderzoek stimuleren. Dat bereik je niet door de hele dag les te geven, dat is vooral zenden en informatieoverdracht. Die informatieoverdracht kan alleen maar op basis van goed onderzoek.

Goede onderzoekers worden nationaal en internationaal zeer gewaardeerd. De voorbeelden voor Nederland zijn Robert Dijkgraaf en de vorige minister Ronald Plasterk van onderwijs in zijn rol als professor. Van de laatste heb ik het altijd heel jammer gevonden dat hij de wetenschap verlaten heeft. In zijn geval betekende de keuze voor de politiek een definitief afscheid van de wetenschap.

En misschien is dat het antwoord op de vraag: politici moeten zo ver mogelijk wegblijven van de wetenschappers. En misschien ook wetenschappers van de politiek…