De supermarkt op zaterdag. Het is nooit mijn hobby geweest en zal het ook niet worden. Er waren 2 rijen voor de kassa’s. Ik sloot aan bij de rij waar ik de snelste afhandeling in zag. Ik sluit altijd aan bij de verkeerde rij. Dus eigenlijk wist ik wel hoe laat het was.

De 2 dames voor mij liepen weg van het bundeltje boodschappen dat ze op de loopband hadden gelegd. Ze keken naar de bossen narcissen die aan de kopse kant van de schappen lagen.

Ze waren aan het dubben. Of de prijs wel goed was. Of ze vers genoeg waren. Ik weet het niet. Ze liepen zenuwachtig heen en weer. Eerst legden ze narcissen op de band. Daarna liep de andere dame er weer mee terug. Ik wachtte tot er genoeg ruimte op de loopband was om mijn boodschappen op te leggen.

Een medewerkster van de Lidl passeerde mij. ‘Meneer’, zei ze. ‘Leg uw boodschappen maar bij deze kassa neer.’ Ik stond te dromen, hoorde wel wat ze zei maar registreerde het niet.

De woorden vingen bot. ‘Meneer’, herhaalde ze. Ik voelde me geen meneer, maar ik kreeg in de gaten dat het voor mij was. ‘ Bedoelt u mij?’ Ze knikte. Ik zette mijn karretje in beweging naar de andere kassa.

De dames waren eruit. De narcissen lagen weer in de emmer. ‘Nou’, zei de ene dame tegen de andere. In haar stem klonk ergernis. ‘In plaats van dat ze het nou aan ons vroeg?’

De kassadame en ik keken elkaar even aan. Ik legde de spullen op de band en vroeg mij af wat die dame bedoelde. Haar spullen lagen immers al op de band? Ik stond achter haar. Waarom zou zij dan meer recht hebben op een plek?

Ik weet het niet, maar we liepen op hetzelfde moment uit de winkel. De dame zonder narcissen keek mij nog altijd boos aan. En geen narcissen en niet eerder geholpen. Wat is de wereld toch onrechtvaardig.