De afbraak van de Libelle zomerweek nadert zijn einde

Achter de witte schotten klinkt het geluid van heen en weer rijdende shovels en vorkheftrucks. Je hoort het sjezen over het zand. De bandensporen die de wagens erin achterlaten. Daarachter klinkt de hamerslag. Ritmisch slaat een vakman op iets om het los te krijgen. Iets valt naar beneden met een plof op het strand van Almere.

Een week geleden vierden duizenden vrouwen en abonnees van de Libelle hier de zomer. In workshops genoten ze van het mooie weer en van elkaars wijsheden. Mannen blijven hier zoveel mogelijk weg. Gevaarlijk, dit bolwerk van emancipatie en meligheid. Als jij niks van mijn voetbal vindt, vind ik niks van je zomerweek. Met die afspraak verlieten ze waarschijnlijk het huis.

Nu rijden de wagens af en aan over het zand. Ik hoor de wind zand in de tijdelijke huisvestingen blazen. De vlonders die als vloer dienden en de naaldhakken uit het zand moesten houden, liggen nu vol met zand. Ook waaien de tenten steeds open. Zelfs het schot dat mij uit het zicht van al dat werk moet houden, beweegt heen en weer op de wind.

Wekenlang bouwen ze hier het tentenkamp voor de vrouwen op. Wekenlang doen ze over de afbraak. En dat allemaal voor die ruim 82.000 bezoekers die als een tornado een week lang over het Almeerse strand razen. Ik ren alleen, maar hoor nog de bouwvakkersfluit in mijn oren. De opmerking over mijn kontje. Stiekem maakt een soort van heimwee zich van mij meester.

De rest van het strand is uitgestorven. Geen hond waagt zich nog aan een duik in het water. De blauwalg is heer en meester.