‘Hoe is het eigenlijk met Moos?’ vraag ik terwijl ik een hap neem van mijn boterham met hagelslag. ‘Volgens mij leeft hij ook niet meer. Het ging heel slecht met hem, de laatste keer dat ik hem zag.’ ‘Hij heeft een beroerte gehad en mag nu niet meer buiten komen’, vertelt Inge. ‘Soms zetten ze de hele tuin voor hem af en dan mag hij even naar buiten. Dan rent hij als een idioot rondjes.’

Moos is de stoerste en de liefste kater van de buurt. Ik zag hem een paar maanden terug. Hij liep moeizaam, leek steeds om te vallen en strompelde zo zigzaggend over de parkeerplaats. Dat gaat niet goed met hem. Die gaat dood, dacht ik. Maar ik had haast. Het was ochtend en ik moest mijn trein halen.

Ik kon nog net zien dat hij het gat in de schutting van zijn huis nog haalde. Een beroerte dus. Dat had ik gezien. Ik voel me schuldig dat ik het dier niet te hulp was gekomen. Maar wat had ik kunnen doen? Nu mocht hij niet meer buiten komen, vertelt Inge. Hij takelt langzaam maar zeker af. Maar daar is hij ook 17 jaar voor.

Moos was de eerste kat in de buurt die ik leerde kennen. Hij was stoer omdat er een stuk uit zijn oor was. Ook kneep hij enigszins zijn oog dicht. Het oog kon niet meer verder open. Waarschijnlijk het gevolg van dezelfde haal als waar zijn oor slachtoffer van was. Moos kon heerlijk op de parkeerplaats bij ons achter zitten. Dan rolde hij lekker over de warme tegels. Soms liet hij zich aanhalen. Als je kroelde in de omgeving van het halve oor, dan leek hij elk moment om te gaan vallen. Zo genoot hij daar van.

Nu ligt hij afgetakeld in huis. Hij kan niet meer naar buiten. De kat die ooit is aan komen lopen, ligt nu op apegapen te wachten op de naderende dood. De buurt heeft al afscheid van hem genomen, want ik mis die flinke kater behoorlijk. Nu lopen er allemaal andere katten. Zij laten zich niet aanhalen. Jagen chagrijnig achter de jonge vogels aan en vluchten al voordat je een stap in hun richting hebt gezet. Ja, dan mis ik Moos best wel.