Het dier lag op de rand van het talud van de busbaan. Daar waar de tegels ophouden en de stoep begint. Vlak naast een boompje dat de verhoogde busbaan scheidt van de weg. De jongen van de tegenover liggende snackbar stond erbij. De meeuw was dood of hij was bezig om dood te gaan. De bruine kop op de tegels. De ogen gesloten.

De witte kleur van de veren verried dat hij er nog niet lang lag. De jongen die erbij stond leek te weifelen. Zal ik hem de nek omdraaien en uit zijn lijden verlossen of hem rustig laten sterven. De meeuw bewoog niet. De kop lag half geknikt op de stoep. Hier kon weinig leven meer in zitten.

Ik fietste voorbij. Zag het dier in een flits liggen. De jongen verzette een voet en ik was al voorbij om te zien of hij het dier echt de nek omdraaide. Soms is het beter een dier uit zijn lijden te verlossen dan hem een schijnredding te geven. Mensen willen het leven soms eindeloos rekken. In de hoop dat het ware leven erin terugkomt. Maar een uitstel van de dood hoeft natuurlijk niet een terugkeer van het eerdere leven te betekenen.

En ach, waar maakte de jongen van de snackbar zich druk om, dacht ik terwijl ik de beelden op mij in liet werken. Het was maar een meeuw. Kijk, als het een merel was, dan had hij alle reden zich zorgen te maken. Als de zanger van de buurt zijn hoofd neerlegt, dan is de buurt in rouw. Een meeuw is alleen maar tot last met zijn gekrijs en asociale gedrag.

Blijkbaar is er een verschil tussen dieren. Sommige dieren wens je dood. De ratten en de meeuwen. Duiven die de boel volpoepen. De dieren waar je last van hebt. Andere kun je eigenlijk helemaal niet missen. De hond waar je bijna 10 jaar mee hebt geleefd of de kanarie die zo mooi zong.

Een vreemd idee dat je zoveel verschil kunt maken in wensen voor leven en dood. Terwijl je elk leven zou moeten waarderen, maar blijkbaar is het verschil tussen vijand en vriend groter. Last en lust, is ook zoiets.