In de huizenmarkt is elke onrust een onrust teveel. Dat toont dat de kritiekcrisis misschien voorbij is, de naschokken trillen nog altijd na. Zo hoorde ik vanmorgen 2 vrouwen in de trein praten over de verkoop van een huis in Lelystad. De ene vrouw wilde haar huis verkopen, maar dat lukte met geen mogelijkheid.

Volgens de vrouw nemen makelaars geen huizen meer in die wijk aan. Er staan al 50 woningen te koop in dat kleine wijkje. Makelaars willen niet meer. ‘We raken het aan de straatstenen niet kwijt’, zeggen ze. ‘We hoeven het niet.’

Een vreemde ontwikkeling natuurlijk. Je vraagt iemand die gespecialiseerd is in het verkopen van huizen om je huis te verkopen. Hij zegt dat het onverkoopbaar is, terwijl hij zelfs een drol zou moeten kunnen verkopen. Niemand hoeft een huis, lijkt het. De angst zit er goed in.

Nu het kabinet twijfelt over het afschaffen van de overdrachtsbelasting, zorgt dat voor genoeg onduidelijkheid onder huizenkopers om een koop even uit te stellen. Ik geloof zelf dat verhaal dat niemand een huis wil kopen niet zo. Ik denk meer dat het ligt aan een situatie en omstandigheden. Niet aan de wil die ontbreekt. Het is eenvoudig het moment niet om een huis te kopen.

Werkgevers delen enkel nog tijdelijke contracten uit, banken geven vrijwel geen hypotheken meer af en de overheid stelt belangrijke bezuinigingsmaatregelen uit. Niet de overdrachtsbelasting, maar de hypotheekrenteaftrek moet worden aangepakt. Maar daar blijven bestuurders liever vanaf. Onzeker over de mogelijke gevolgen die deze grote subsidie kost.

De gevolgen van het niksdoen zijn misschien nog wel erger. Een woningmarkt die op slot zit, banken die geen geld meer verstrekken en wanhopige huizenbezitters. Bij het uitbreken van de kredietcrisis hoopte ik dat iedereen ervan zou leren. De werkelijkheid blijkt een stuk weerbarstiger te zijn.