Het orgel in de Leidse Stadsgehoorzaal is gebouwd in 1966 door Flentrop

Het orgel in de Leidse Stadsgehoorzaal is gebouwd in 1966 door Flentrop

De instrumenten van de Pieterskerk en Waalse kerk lenen zich uitermate goed voor de muziek uit een bepaalde tijd. Hoeveel moeilijker ligt dat bij een instrument als het Flentrop-orgel in de Stadsgehoorzaal in Leiden? Cor de Jong deed een poging als derde organist op de Leidse Orgeldag van afgelopen zaterdag. Een poging waarbij hij balanceerde op de grens van het onmogelijke.

19e eeuws op een neobarok

Het programma dat De Jong gekozen had, bevatte 19e eeuwse muziek van Listz, Franck en Vierne. Een lastig genre op een typisch neobarok-orgel van de bouwer Flentrop. Het klankidioom ligt mijlenver van de muziek die Cor de Jong speelde. De gespeelde werken richten zich vooral op een klankideaal met veel klankkleuren en minimale klankschakeringen. Een neobarok-orgel zoekt veel meer de helderheid en doorzichtigheid van de klank.

De opening van zijn concert bewees dat al overduidelijk. Het werk Einleitung, Fuge und Magnificat aus der Symphonie zu Dante’s ‘Divina Commedia’ van Franz Listz is niet zozeer een werk waarbij je hard en zacht afwisselt. De dynamiek ligt namelijk in de minimale veranderingen. De als zwelkast gebruikte luiken van het borstwerk geven een te ruwe benadering. Daarom vraagt het naar mijn idee juist om andere radicale middelen.

Het orgel in de stadsgehoorzaal van Leiden staat tegen de achterwand van het podium

Het orgel in de stadsgehoorzaal van Leiden staat tegen de achterwand van het podium

Poging tot vertaling

Het is mogelijk, maar ik denk dat het programma van Cor de Jong zich onvoldoende leende voor een dergelijke aanpak. Hierdoor bleef het concert teveel hangen in een poging tot vertaling. Maar het beoogde effect bleef uit. Dat was heel jammer omdat naar mijn oordeel het heel goed mogelijk is om Franz Listz uit te voeren op een neobarok-orgel. Het vraagt alleen om veel zwaardere inspanningen dan het openen en sluiten van de borstwerkluiken.

Het neobarokke instrument werd bij het spel van dit orgelrepertoir tegen de haren in gestreken werd. Daarbij vormde vooral de als zwelkast gebruikte deurtjes van het borstwerk een flink obstakel. Het bood te sterke contrasten en te grote overgangen. Aan het spel van Cor de Jong kon het zeker niet liggen. Hij speelde de sterren van de hemel, maar naar mijn oordeel speelde hij te weinig in op de mogelijkheden van het instrument zelf. Hierdoor werd zeer spannende muziek langdradig en vervelend.

Op andere momenten werd het spel juist weer te onrustig door de vele wisselingen. Zoals bij de Berceuse van Vierne. Dit ingetogen werk vraagt op een neobarok om veel minder klankwisselingen. Ook was het lastig om in de kurkdroge ruimte van de stadsgehoorzaal een dergelijk stuk mooi te vertolken. De hoge klank van de fluit aan het einde van dit gebed, viel bij de uitvoering van Cor de Jong helemaal weg. Juist de elementen waarbij het orgel zich van zijn beste kant zou kunnen laten zien, vielen hierdoor enorm tegen.

De stadsgehoorzaal in Leiden is gebouwd in 1890 op de plek van het Sint-Catharinagasthuis. De naastgelegen Waalse kerk is de kapel van het gasthuis.

De stadsgehoorzaal in Leiden is gebouwd in 1890 op de plek van het Sint-Catharinagasthuis. De naastgelegen Waalse kerk is de kapel van het gasthuis.

Veel in huis

Dat terwijl de organist bij het laatste stuk, de Fantaisie van Camille Saint-Saëns, overtuigend liet horen wat hij allemaal in huis had. Het stuk veranderde onder zijn vingers in een heus spectakel. Net als het eerder gespeelde Scherzetto van Vierne. Hier mocht hij wat mij betreft nog meer de tonen in elkaar laten overvloeien.

De uitvoering van Cor de Jong heeft mij niet van de schoonheid van het orgel in de Stadsgehoorzaal overtuigd. Daarvoor werd het instrument teveel tegen de haren in gestreken. Bovendien is het heel lastig om een juist repertoire te vinden dat je op dit orgel kunt spelen. Ik zou denk ik heel sterk de neiging hebben gehad om allerlei bewerkingen van populaire orkeststukken te spelen. Ook leent het orgel zich goed voor improvisaties in hedendaags klankidioom. Daarbij komen de luiken van het borstwerk zeer goed van pas.

Programma

Franz Listz (1811-1886) Einleitung, Fuge und Magnificat aus der Symphonie zu Dante’s ‘Divina Commedia’
César Franck (1822-1890) Andantino in g
Louis Vierne (1870-1937) Uit ’24 Pièces en style libre’
– nr. 19 Berceuse
-nr. 14 Scherzetto
Camille Saint-Saëns (1835-1921) Fantaisie (1857)

Dispositie
Het orgel in de Stadsgehoorzaal van Leiden is gebouwd door Flentrop en opgeleverd in 1966. Het instrument is geschonken door de Leidse burgerij.

Hoofdwerk Borstwerk Pedaal
Prestant 8Quintadeen 8

Roerfluit 8

Octaaf 4

Speelfluit 4

Octaaf 2

Mixtuur IV

Cymbel III

Trompet 8

Holpijp 8Koppelfluit 4

Prestant 2

Quint 1 1/3

Sifflet 1

Sesquialter II

Regaal 8

Tremulant

Bourdon 16Prestant 8

Gedekt 8

Octaaf 4

Ruispijp III

Fagot 16