image

Het gebeurt me zelden bij het hardlopen: een verkeerde inschatting. Vrijdag wilde ik een lekker rondje gaan hollen. Gelijk nadat ik Doris naar school had gebracht kroop ik achter de computer. Buienradar kon me precies vertellen of ik nog voor de buien uit kon hollen. Ik bekeek de verwachting.

Een enorm lint van bewolking met actieve buien dreef vanaf de Noordzee het land op. Ik liet de voorspeller bekijken wanneer de bui Almere zou bereiken. Ergens tussen half elf en elf, vertelde de animatie. Als ik dadelijk vertrok, dan zou ik zonder een nat pak thuis kunnen komen.

Hoe vaak moest ik er vandaag niet aan denken bij het hardlopen. Ook nu hing er een rol bewolking over het Naardermeer. Wat minder dreigend dan vrijdag. Nu had ik het allemaal wat beter ingeschat. Ik vroeg me af hoe ik toch zo’n fout kon maken. De weersvoorspellingen waren zo duidelijk geweest. Ik had vrijdagmorgen gewoon niet op pad moeten gaan.

Vlak bij het Naardermeer gebeurde het. De eerste spatten vielen uit de ontzettend zwarte wolkenmassa boven mij. Ik vroeg mij af of ik het droog ging houden. Hoe laat zou het zijn? Hooguit 10 uur, de voorspelling van buienradar had mij een halfuur later beloofd.

Ik rende verder en bij het Almeerderstrand barstte de bui echt los. In de verte, over het IJmeer zag ik lichtflitsen. Dat was niet de bedoeling. Daar moest ik straks gaan lopen over de IJmeerdijk, maar nu ik dat onweer zag, voelde ik mij erg ongemakkelijk worden. Was het wel verantwoord om verder te gaan.

Bij de Jachthaven Marina Muiderzand was ik doorweekt. Ik besefte dat ik zo niet mocht doorgaan. Hardlopen met onweer zou veel te gevaarlijk zijn. Ik stond onder een afdakje bij de receptie van het haventje. ‘Hier melden’, stond op het bord naast de deur. 2 schilders waren druk bezig met het schuren. ‘Zo een beetje nat’, zei er eentje. Ik knikte. Vlak boven ons rommelde het onweer verder.

Er waren problemen. 1 van de schilders kon niet bij de post boven de deur. Hij liep de trap af naar beneden en kwam even later terug met een trapje. ‘Waarom heb je dat gehaald?’ vroeg zijn collega. ‘Omdat ik anders niet daar bij kan, stompie.’ De man wees naar de plek waar hij niet bij kon, maar waar wel de verf vanaf gekrabd moest worden.

De regen stroomde iets minder hard naar beneden. Leek zelfs even helemaal te stoppen. ‘Zo we gaan weer’, merkte de schilder bijdehand die op het opstapje de deurpost aan het schuren. In zijn hand lag een stukje papier en hij drukte het ruwe papiertje tegen het houtwerk.

Ik keek wantrouwend naar de hemel boven mij. Een flard lichtere bewolking trok over mij heen. Boven het IJmeer zag ik lichtflitsen schieten. Het rondje over de dijk zoals ik in mijn hoofd had, zat er niet in. Ik liep de dijk af, naar beneden in de richting van Almere Poort.

Precies op de weg waar ik een klein halfuurtje eerder geen zin in had. Anders had ik daar nu gelopen. Veel dichter bij huis. Nu moest ik een stukje door het bos hollen. Ik hoorde de hemel boven mij dreigend rommelen. Waar mag je met onweer eigenlijk zijn? In het bos is het gevaarlijk, maar als je in het open veld loopt, speel je ook met je leven. Kortom, zo snel mogelijk naar huis. Die gedachte speelde door mijn hoofd.

Ondertussen was de regen weer in volle sterkte aangezwollen. Ik schuilde onder de spoorbrug bij Almere Poort. De wind gierde langs mijn natte kleren. Ik voelde hoe snel mijn warme lichaam afkoelde. Hier moest ik niet te lang staan. Ik baalde. Hier had ik de weersituatie totaal verkeerd ingeschat. Een dergelijk verkeerde beslissing kon je duur komen te staan.

De regen nam weer iets in kracht af en ik holde verder. Het lange fietspad van Almere Poort naar Almere Stad af. De regen nam niet af. Ook niet echt meer toe en het onweer hoorde ik niet meer boven mij. Ik liep weliswaar in het open veld, maar de spoorbaan lag vlak naast me. Hier heerste niet meer het gevaar van eerst.

Zeiknat en doorweekt tot op de onderbroek kwam ik vrijdag thuis. Ik rustte eerst flink uit van de situatie waarin ik mijzelf had begeven. Daarna kwam de analyse. Wat was er fout gegaan. Ik kwam snel tot de conclusie dat de wens groter was geweest dan de realiteitszin. Het zou allemaal wel meevallen. Ik zou het wel halen. Dat dit een keer niet het geval was, had ik aan den lijve mogen ondervinden.

Vanmorgen bij het hardlopen dacht ik eraan terug. Opnieuw hing een dreigende wolkenband boven het Naardermeer. Ik voelde een paar spatten toen ik onder de spoorbrug door liep. Maar wat verderop won de zon het van de dikke wolk. Weer wat verder holde ik in de brandende zon over de IJmeerdijk. Geen regen of onweer belette mij de weg.

Aan de windmolens verderop zag ik dat er nauwelijks wind stond. De hitte sloeg snel toe. Ik rende over het afgesloten Van Wagtendonkpad in de warmte. Ik merkte hoe de warmte mijn longen dichtkneep. Het was heet en benauwd. Dat had ik niet verwacht toen ik de voordeur achter mij dichttrok op weg voor mijn hardlooprondje.

Was het dit keer niet de regen, nu trof mij de warmte. Ik had ook vandaag het weer verkeerd ingeschat. Ik merkte dat ik meter na meter langzamer ging lopen. Uitgeput bereikte ik huis. Hoe was het mogelijk dat ik mij 2 keer zo vergist had in het weer. Was het nu niet de natheid, nu werd ik gepakt door warmte en benauwdheid.