Station Almere Muziekwijk

Hoe zou dat gaan? Je bent columniste van een kwaliteitskrant, tenminste zo noemen ze zich. En je hebt zo’n dag dat je even niks geen inspiratie hebt. Het regent, of waait hard buiten. Geen vertier en je moet verdorie morgen toch een stukje hebben. Die kolom moet gevuld worden. Je kunt moeilijk een witte vlek daar laten staan. De lezers van de krant hebben het al moeilijk genoeg.

Ach, geen inspiratie, laat ik eens naar Almere gaan. Lekker lachen. Daar gebeurt helemaal niks. Het is er zelfs niks aan. Ik snap niet dat er mensen wonen. Daar in die polder. Allemaal familie Doorsnee. Keurig aangeharkt tuintje, Opel voor de deur. Kortom, er is helemaal niks. Ja, ik ga naar Almere.

Zo stapte een paar dagen geleden een columniste van een zichzelf noemende kwaliteitskrant uit op het station Almere Muziekwijk. Ze ging op zoek naar de ziel van de stad. Zelfingenomen drentelde ze een beetje over de pianoweg en langs het Top 40-plein Nee, die naam verzon ze niet. Hij bestaat echt. Veel bedrijvigheid zag ze niet, een man reed langs in een scootmobiel en een moeder in rouwkleding liet haar dochtertje van de glijbaan glijden.

Fietspad met de ftuitbomen in Almere Muziekwijk

Bah, wat is het hier saai, verzuchtte de columniste. Ze nam de eerste trein naar Amsterdam terug om zich behaaglijk in haar buurtje te nestelen. Snel schreef ze de column op haar MacBook op de keukentafel. Kwaliteit schrijf je met kwaliteit. Nog net op tijd om haar kinderen van school te halen. Het verhaal voor morgen was af. Wat is Almere toch verschrikkelijk. Ga er vooral nooit wonen, want een lijk ligt zo een halfjaar in huis zonder dat iemand het merkt.

Vanmiddag ging ik naar Almere Muziekwijk. Ik liep er wat rond het station. Ik zag een man op een scootmobiel langsrijden, een ouder echtpaar dat op de bus wachtte en een man die het winkelcentrum uitliep met een bos rozen.

Een klein jaartje terug liep ik met een vriend op zaterdagmiddag door Amsterdam. We belandden in de Jordaan op een markt waar ik over de hoofden kon lopen. Voordurend werd mijn looproute doorkruist door brommers, scooters en scootmobiels. De busjes moest ik ontwijken en elk moment kon een auto mij voor de sokken rijden. In de nood waren we maar op een terrasje gaan zitten. De enige plekken die nog vrij waren stonden midden op het troittoir. Zodat we niet alleen onze voeten moesten intrekken voor voetgangers, maar ook voor fietsers en scooters.

Ik was bekaf na een paar honderd meter lopen. Had weinig plezier van de peperdure cappuccino en merkte dat al dat asociale gedrag mij buitengewoon irriteerde. Als de columniste dat met bedrijvigheid bedoelt, dan zou ik haar vooral adviseren in haar buurt te blijven en te genieten van al die drukte. De buurman die diep in de nacht zijn radio keihard aanzet, de brommertjes die met een noodgang de hele avond door de straat heen crossen en het schreeuwende echtpaar dat in de achtertuin ruzie maakt. Veel plezier ermee.

Ik keek nog eens goed om me heen vanmiddag. De jongen met de bos rozen, daar zat een prachtig verhaal in. Het oudere echtpaar dat op de bus wachtte. Zij achter de rollator en hij met een wandelstok. Ze vormden zo’n mooi geheel met het stationsgebouw erachter. Of de man in de scootmobiel. Hij aarzelde bij het kruispunt, sloeg rechtsaf, stopte een paar meter verder en keerde. Hij ging toch de andere kant op. Rechtdoor het laantje met de fruitbomen door. Hij verdween langzaam uit zicht.

Als je hier geen verhalen ziet, dan ben je geen schrijver.