De orgelwerken van J.S. Bach gespeeld door Bram Beekman

De laatste weken luister ik veel naar de orgelwerken van Bach. Het uitgangspunt vormt de Bachserie die Bram Beekman in de jaren ’90 maakte voor het label LBCD. Ik volgde de serie vanaf de presentatie van het eerste deel in 1990 tot en met de uitgave van het negende en laatste deel in 1997.

De liefde voor de Bach van Bram Beekman ging ongeveer gelijk op met een vriendschap die ik had met een jongen uit Zeeland. Hij hield van orgelmuziek, speelde zelf orgel. Ik nog niet. Via hem en Bram Beekman ontdekte ik de kracht van deze muziek. Vooral Bachs composities voor orgel troffen me. Het was een ongekende beleving, die elk nieuw deel van de serie tot een heus avontuur maakte. Veel werken kende ik niet. Andere had ik nooit in een dergelijke uitvoering gehoord.

Veel te duur
De allereerste cd kocht ik nog niet. Mijn ouders vonden het veel te duur om 69,95 gulden neer te tellen voor een dubbelcd. Toen ik hem later bij die vriend in Goes hoorde, werd ik getroffen door de helderheid van de opname en de frisheid van de uitvoering. Zeker toen daar later het tweede deel bij kwam, die vrijwel direct bij aankomst op een bandje werd gezet.

Die nacht luisterde ik in de studeerkamer van zijn vader waar mijn opklapbed stond, gespannen naar de muziek. Wat een betovering. Vooral de uitvoering van het Concerto in C, BWV 594, naar Vivaldi’s Concerto in D ‘Grosso Mogul’ maakte grote indruk op mij. De solo in het laatste deel, het allegro, brengt me nog altijd terug naar die nacht. Waarbij ik half wegdommelde, maar telkens weer gegrepen werd door de hoge uithalen van de woudfluit van het Zwolse orgel.

Ik moest die cd’s hebben en ik ging over tot de koop van de eerste 2 delen. Het geld dat ik verdiende met mijn krantenwijk ging direct naar Lindenberg. Daarna volgde elk deel vrij kort na publicatie. Ik bezocht dan de firma Lindenberg in Rotterdam, luisterde aandachtig de nieuwe cd en was direct overtuigd van de prachtige orgelmuziek van Bach.

Orgelles
In die tijd kreeg ik ook orgelles op het orgel in de Salvatorkerk van Veenendaal. De organist Jan van Laar leerde mij de fijne kneepjes van het orgelspel en vooral dat ik moest luisteren. De combinatie van deze lessen met de cd’s van Bram Beekman brachten mij in een wereld die ik weliswaar van huis uit kende, maar die ik nu bewust leerde kennen.

Een maand of 2 terug pakte ik het derde deel van de serie om eens goed naar het Preludium en fuga in E, BWV 566 te luisteren. Ik hoorde een andere uitvoering op cd, maar mijn referentie ging naar Bram Beekman op het Hinsz-orgel in Kampen. Vooral de heldere eerste fuga, met de Octaaf 2′ van het rugwerk, stond mij erg bij. Ik beluisterde de uitvoering en besloot weer eens naar andere delen uit de serie te luisteren.

Vooral bij het negende deel van de serie dat ergens in 1997 verscheen, was mijn aandacht voor de uitvoeringen van Bach enigszins verslapt. Ik kocht dat deel alleen maar omdat ik de rest van de serie ook had. Dat was ook wel het geval bij de delen 7 en 8. Was het tot het zesde deel altijd weer die spanning geweest, bij de 8 kleintjes in deel 7 begon het mij te ergeren. Bram Beekman voerde de preludia en fuga’s steevast in plenum uit. Een enkel tongwerk gebruikte hij als ondersteuning.

Ruimtelijk effect
Ook waren de opnames van Van der Waal altijd ver van het orgel af genomen, waardoor de ruimte veel te veel effect kreeg. De directere opname waarbij je veel meer de afzonderlijke registers hoort, bleef beperkt tot het eerste deel in de Groningse Der Aa-kerk. Bovendien was veel van het boeiende repertoire weggevallen.

De grote orgelmis vormde het absolute hoogtepunt. Alleen viel de keuze voor het orgel van de Nieuwe kerk in Amsterdam enigszins ongelukkig. Het Schonat/Van Hagerbeer/Duyschot-orgel uit 1655 is zeker geschikt voor de muziek van Bach, maar de Klavierübung III vraagt wel veel van toehoorder en orgel. Bij het laatste deel van Beekmans serie in Alkmaar waren bijna alle grote werken op. Alleen de Fantasie en fuga in g, BWV 542 was nog over samen met het Preludium en fuga in G, BWV 541.

Originaliteit
En dan de uitvoeringen zelf. Het blijft dezelfde uitvoerder en daarmee verdwijnt ook een gedeelte van de originaliteit. Het lukt maar weinige organisten om een hele cd-serie verrassend uit de hoek te komen. Maar bij een werk als de Toccata en fuga in F, BWV 540 stelde het mij teleur dat hij niet alles eruit kon halen. Iemand als Marie-Claire Alain komt op hetzelfde orgel werkelijk overtuigend over. Bram Beekman blijft een beetje hangen in de middenmoot. Prachtig bij een concert, maar een cd-opname vraagt toch wat anders.

Ik heb de hele serie, zonder het eerste deel, nog eens goed beluisterd de laatste weken. De ideeën die ik in mijn hoofd had ontwikkeld, moest ik zeker bijstellen. Zo werd ik dit keer echt getroffen door de mooie uitvoering van het Orgel-Büchlein op het orgel in Vollenhove. Hij weet ieder koraal treffend neer te zetten in eveneens treffende registraties. Hierbij hanteert hij mooie tempi en houdt hij de compositie kaal door het gebruik van weinig trillers en andere verfraaiiing.

Bekendere werken
Ook de delen in Maassluis – deel 8 – en Alkmaar – deel 9 – zijn goed neergezet. Misschien zou ik wensen dat hij vooral in Maassluis wat bekendere werken ten gehore had gebracht. Vooral het openingswerk, Preludium en fuga in c, BWV 549, staat als een huis. De mixturen van het orgel komen hierin heel goed tot hun recht. Ook bij Die Kunst der Fuge speelt Bram Beekman met veel afwisseling. Het Garrelsorgel uit 1732 is duidelijk een instrument waar Beekman goed mee uit de voeten kan.

Net zoiets als het orgel in Den Bosch waar Beekman de orgelkoralen uit de Neumeister-Sammlung speelt. De werken die in het Bachjaar 1985 (her)ontdekt werden, komen heel sterk tot uitdrukking op het orgel. Hoe de bourdon 8′ van het rugwerk je echt vastklampt in een compositie als Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen, BWV 1093. Of het Ehre sei dir Christe, der du leidest Not, BWV 1087.

De beste
De uitvoering van het Preludium en fuga in A, BWV 536, reken ik tot de beste. De eenvoud en doorzichtigheid staat centraal in deze uitvoering. De fuga uitgevoerd op Prestant 8′ en Octaaf 4′ van hoofdwerk en rugwerk, maken het tot een poëtisch en ingetogen werk bij Beekman. En ook het Pièce d’Orgue zet Bram Beekman zeer treffend neer op het Bossche orgel. Zo wist hij mij na meer dan 15 jaar weer te boeien. Hij wist zelfs weer die momenten op te roepen van weleer, waarbij ik meegenomen werd in de wereld van componist en orgel.

Het eerste deel is ruim 20 jaar geleden opgenomen. Het laatste 15 jaar terug. Zeker, uitvoeringen als van Ton Koopman en Wim van Beek blinken op een andere manier uit. Vooral de laatste deelt in zijn versie van Bach rake klappen uit. Dat neemt niet weg dat Bram Beekmans Bachwerken zeker de moeite van het beluisteren waard zijn. Dan betrap ik mijzelf erop dat ze voor mij een referentiepunt in Bach-uitvoeringen vormen.