In een kalme tred liep ze me tegemoet op het fietspad langs de spoorbaan. Ze had een prachtige, donkerrode jurk aan. Van een stof waar alleen feestjurken van gemaakt zijn. Haar loop had iets statigs, de rug mooi recht en de snelheid in een deftig tempo. Niet gehaast of onrustig. Haar ogen staarden de verte in, naar een doel dat ver achter mij lag.

Ze was prachtig. Ik rende haar tegemoet. Gehaast, snel en onrustig. Mijn schoenen schoven over het asfalt. Hier was iemand op de terugweg van een uurtje hollen. Een afstand verleggend waar zij uren over zou doen.

Ik passeerde haar. Ze zag er inderdaad adembenemend uit. In haar armen droeg ze 2 boeken. ‘IJsbreker’, stond erop. Ze was op de terugweg van de Nederlandse les. Speciaal voor de les had ze haar mooie kleren aangetrokken.

Ze zag er vermoeid uit. Na een dag hard werken de Nederlandse les. 2 uur achter elkaar volgepropt met moeilijke woorden en ingewikkelde zinnen. Nu was ze op weg naar huis. In het rustige tempo zoals ze in haar land vroeger kilometers aflegde

Ik was haar allang voorbij en keek nog even om. Dezelfde tred en de mooie jurk. Daar kon ik nog veel van leren met mijn hardloop-kloffie en onrustige snelheid. Ik holde de brug op over de ringweg. Een fris windje waaide over me heen. Het moment dat de avond koeler wordt, brak aan.