image

De duif fladderde niet op toen ik bij hem in de buurt kwam. De kop zag er gehavend uit. Een paar kale veerpennen staken omhoog uit zijn koppie. De rest was niet veel beters. Het hele lijf vormde een reeks eilanden met kale plekken. Of de zee nu op de plekken zonder veren of op de plekken met veren was, kon ik niet bedenken.

Het diertje staarde mij aan terwijl het op de rand van het bruggetje stond. Het liep een eindje van me weg om de palen van de omheining heen, keek mij weer aan en bleef daar staan.

Als op een verjaardag een stilte valt moet je altijd de volgende vraag opgooien: weet je hoe ze in Amsterdam duiven noemen? Iedereen blijft dan stil, want niemand weet het. Vliegende ratten. En dan kun je een verhaal opdissen dat duiven zelfs volgens wetenschappers vliegende ratten zijn. Deze duif was dan een kale, vliegende rat. Hij zag er in elk geval ziek genoeg uit om een vervelende ziektekiem over te brengen.

Ik dacht aan het artikel dat ik laatst gelezen had over het succesvolle Almeerse duivenproject. Bij het station is een duiventil gebouwd. Ik vroeg mij altijd af wat die duiventil daar nu moest. Het schijnt dat tamme duiven de wilde duiven lokken naar de duiventil. Ook krijgen de vogels wat eten. In ruil daarvoor worden de eitjes telkens weggehaald.

Deze vorm van duivenbestrijding schijnt te helpen de overlast te verminderen. Volgens het artikel krijgt deze methode veel navolging van andere gemeenten. Gemeenten als Gouda, Arnhem en Rotterdam zouden de ‘Almeerse aanpak’ nu ook volgen of gaan volgen.

Deze duif had er nooit van gehoord. Misschien was hij net afgerost door soortgenoten. Of was hij overspelig als hij is, van huis en haard verjaagd. Ik wist het niet. Hij was kaal genoeg voor een zielig verhaal. Misschien moest ik hem doorsturen naar de duiventil bij het station. De tamme lokduiven zag ik echter niet vliegen.

Ik vervolgde mijn rit naar huis. Je kunt niet bij elke duif stilstaan.