Uit het raam kijk ik en zie hoe een zwarte merel in het gras voor de gracht iets te eten heeft gevonden. Een kauw ziet het dier blijkbaar eten en duikt erop af. De merel maakt plaats voor de meerdere en kijkt lijdzaam toe hoe de kauw zijn maaltijd in 1 hap wegslikt.

De kauw vliegt recht omhoog en geeft een gil. De iets lichtere kop kijkt opzij en een ander kauwtje komt eraan gevlogen. Ze landen vrijwel gelijktijdig op de tak die ongeveer even hoog is als ik sta. Ik zie hoe de donkere kauw de grijze variant te eten geeft. Het kleinere kauwtje slikt het eten snel weg, slaat zijn vleugels wijd uit alsof hij een aalscholver is en wappert met zijn vleugels.

De kop oogt inderdaad jonger dan de andere kauw. De veertjes donzen nog omhoog, de nek ziet kwiek en breekbaar tegelijk uit. De oudere kauw kijkt treurig naar beneden. De jongere kijkt met precies dezelfde houding. Het nekje een beetje krom. De snelle hap is gegeten.

Vader veegt zijn snavel aan de tak af en doet hetzelfde aan de andere kant van de tak met de andere kant van de snavel. De jongeling volgt het voorbeeld en veegt met precies dezelfde 2 halen de snavel af.

Vader pikt haastig in de donsveren op de borst. Ik zie de zoon kijken en als een aap het gedrag van de ouder imiteren. Ook hij schikt haastig zijn verenpak. De stropdas recht, klaar voor het bezoek. Als de ouder een hoge krijs gilt, kijkt de zoon op uit zijn arbeid.

Vader vliegt op, iets omhoog en scheert dan in een duik over het water van de gracht. Als hij op het diepste punt is, trekt hij op en vliegt tot de daknok van de huizenrij aan de overkant. De zoon volgt bijna synchroon. Hij scheert het water over en trekt net zo vlotjes omhoog tot de nok van het dak. Daar kirren ze even gezellig met elkaar.