Na afloop van een stevig orgelconcert, een bezoek aan de boekwinkel en een flinke regenbui, heb ik zin in iets. Ik loop langs een kraampje op Hoog Catharijne. Een groot softijsje zie ik niet zitten. Zeker niet die enorm droge koek in de vorm van een hoorntje die eronder zit. Een ijsje in een bekertje lijkt me ook niet wat. Daarom kies ik een kinderijsje.

Het ijsje voor 85 cent vind ik te duur. Ik loop naar de kraam aan de andere kant. Naast de plek waar een grote machine staat waarop sinaasappels liggen. Een meisje helpt me. Ik vraag een kinderijsje. ‘Dat is dan 75 cent’, zegt ze. Ik verontschuldig me als ik haar het 20 euro-biljet geef. ‘Kleiner heb ik niet.’ ‘Foei toch’, zegt ze en geeft het wisselgeld: 1 biljet van 10, 1 van 5, 2 keer 2 euro-munten, een muntje van 20 cent en eentje van 5.

Ze loopt naar de softijsmachine, trekt het kleinste hoorntje van de stapel af en duwt opzichtig een rond papiertje tegen het lekken in het hoorntje. Ze weet ook wel dat ik geen kinderen bij me heb voor wie het ijsje is. Ze kijkt me met dezelfde blik aan als zojuist. Ik gun haar het plezier. Ze laat het ijs in het hoorntje vloeien.

Met evenveel poeha drukt ze er opzichtig een ronde wafel in. Ik zie dat er op de zijkant iets staat afgebeeld. De reuzen-ouwel staat er prachtig rechtop in en steekt zelfs verder omhoog dan het hoogste puntje van het ijsje. Ze geeft het ware kunstwerk aan mij. ‘Hier is het kinderijsje meneer.’ Ze legt de klemtoon op ‘kinder’ en kijkt langs mij heen of er misschien een kind te bespeuren is. ‘Dank u wel’, zeg ik.

Ik trek de ouwel eruit en neem een flinke hap in de toef softijs. Het moet een mooi ringbaardje rond mijn mond vormen als ik haar weer aankijk. Ik laat de koek zien en neem daar ook een flinke hap in. Ze draait zich om. Zonder nog iets te zeggen.