De meest beroemde sofa is de sofa van Freud

De hele familie zit op de blauwe sofa in de kringloopwinkel van Naarden. Ik wil graag een sofa voor op mijn studeerkamer. Lekker half liggen en hangen, muziekje erbij en dan een goed boek lezen. Iets waar ik veel behoefte aan heb om mij even te onttrekken van alle hectiek.

De naam van de kringloopwinkel is hetzelfde als die in Almere staat. Alleen is het hier een stuk gezelliger. Zeker ook sinds er een klein restaurantje zit voor de versnaperingen. Zo zitten we net op de bank, die het midden houdt tussen een bank en een sofa. In die korte tijd hebben we al flink wat blikken en commentaar van het publiek gekregen.

De joligste is een medewerker van de winkel zelf. Hij zag mij al Doris van de sofa afsturen om hem even op te tillen. Ik wilde weten of ik het ding in mijn eentje de 2 trappen op te tillen. ‘Die weegt zwaar he?’, zei hij. Ik knikte. ‘Als je hem door ons laat brengen, kunnen wij hem wel de trappen op sjouwen. Het kost wel 6 euro per trap.’

Hij is er gespierd genoeg voor. Nu we met z’n drieën onze intrek op de bank hebben genomen, vind hij het ook interessant erover te beginnen. Het ding houdt het midden tussen en bank en een sofa. Hij zit geweldig lekker. Echte vering zit erin tussen het schuimrubber, meent de medewerker.

‘Meneer u neemt hem. Ik zie het aan u’, zegt hij nu. Ik weet niet zo goed raad met dit soort opmerkingen en probeer de afleidingsmanoeuvre in te zetten. ‘Hij is een verkoper’, zeg ik tegen Inge. Ze hangt wat naar achteren tegen de lage leuning aan. ‘Je kunt hem ook als bed gebruiken voor als we ruzie hebben.’

Gelukkig speelt de krachtpatser van deze kringloopwinkel hier niet op in. Hij gaat uit een ander vaatje tappen. ‘Meneer gaat u al die boeken lezen?’ vraagt hij mij. Hij wijst naar de stapel met boeken van Renate Rubinstein en Gerrit Komrij die ik zojuist heb aangeschaft. ‘Weet u iets van de natuur?’ Hij wacht het antwoord niet af. ‘Dat staat allemaal in die boeken meneer.’

Hij vervolgt zijn verhaal. ‘Weet u waarom een mus hipt en een spreeuw loopt?’ ‘Ik zou het niet weten’, antwoord ik hem eerlijk. ‘Dat is om vooruit te komen.’ Hij lacht en lach schaapachtig met hem mee. ‘Dat staat allemaal in die boeken meneer.’ ‘O’, zeg ik. ‘Vandaar dat ik het niet wist.’

Ik sta op. ‘We nemen hem niet’, mompel ik. Ook de rest staat op. We lopen in de richting van de uitgang. De medewerker loopt achter ons aan. ‘Mevrouw’, zegt hij. ‘Een man komt bij de dokter en zegt ik heb hier pijn, hier en hier.’ Hij prikt met zijn vinger in zijn flinke buik. ‘Zegt die dokter: ik zie het al. U mankeert iets aan uw vinger.’

We lachen allemaal uitbundig. Zo, die zit erin. Tevreden draait de medewerker zich om en loopt weg. Ik zie hoe hij een andere bezoeker aanklampt. ‘Weet u waarom een mus hipt en een spreeuw loopt?’ hoor ik hem nog zeggen.