Ze lopen traag de boekenschappen voorbij. Soms trekt eentje een boek uit het rek, bekijkt de titel en praat onderwijl druk met de ander. ‘Maar hij moet niet zo zeuren’, zegt ze. ‘Ik heb het hem zo vaak gezegd, maar hij luistert niet.’ Ze draagt een hemdje dat misschien net iets te zomers is voor deze dag. Haar vriendin kijkt haar aan en knikt. Soms mompelt ze een verbazend kreetje. ‘Tjonge.’

De boeken zijn bijzaak. Het draait om iets heel anders. Ze gaat verder. ‘En dan heb ik zoiets van. Doe het nou gewoon.’ Haar vriendin in een iets lichter hemdje knikt begrijpend. Nu trekt zij een boek uit de boekenkast, draait het om en leest de achterflap. Onderwijl raast haar vriendin door en knikt haar hoofd als teken dat ze luistert.

‘Precies, dat zeg ik ook altijd.’ Het boekje gaat weer terug in de kast. Ze staan nu stil bij de tafel in het midden tussen alle kasten. De klaagster leunt met haar hand op het tafelblad. ‘En dan heb ik zoiets van…’ De woorden vallen weg. Iemand passeert. Ze dempt haar toon, fluistert bijna.

Ze lopen weer verder tussen de rijen boeken. Als ze een halfuur later en heel wat klaagzangen verder bij de kassa achter mij staan. Gaat het nog altijd door. De toon is wat zachter, bijna niet te verstaan. Ik loop weg met mijn stapel boeken. ‘Is dat alles? Hebben jullie daar al die tijd over gedaan?’ hoor ik de verkoper nog zeggen. Op de toonbank ligt een dun tijdschrift.