image

Het is het eind van de middag. De winkels sluiten en de maag knort. Ik heb me bij de Rijn erover verbaasd dat dit zo’n levenloos gebied is. Ook kijk ik met verwondering naar de lelijke nieuwbouw waarmee de stad herbouwd is.

Arnhem heeft zeker mooi herbouwde stukken. Je kunt daar de historie niet van de reconstructie onderscheiden.  Maar het gedeelte rond het provinciehuis en de Rijnkade is zonder gedachte herbouwd.

Moegelopen trek ik weer de binnenstad in, op zoek naar de snackhoek van Emile Ratelband. De snackbar staat op de hoek van de Roggestraat, een straat die verlengd ligt met de Ketelstraat uit het monopoliespel. Een dame die voor mij liep, in een witte broek bestelt een frietje. Ik waag het er ook maar op. Al at ik er vroeger vooral frikadellen of kroketten. Die krijg je nog altijd in porties van 2 voor een zacht prijsje.

Door de 2,10 euro die de friet  kost, staat een kruis van viltstift. De jongen achter de geïmproviseerde toonbank draagt een vreemd verband om zijn pols. De witte band is vergeeld door het frituurvet. Ik bestel een middelgrote patat en moet er 2,45 euro voor betalen. De aardappelprijs lijkt jaarlijks met 20 procent te stijgen.

De hap-hoek van Ratelband straalt vooral vergane glorie uit. De zaak is niet veel breder dan een meter. Ik meen te weten dat hier vroeger een bakkerij huisde van Vader Ratelband. De zoon Emile heeft er een snackgelegenheid van gemaakt met een muur waar je iets kunt trekken. Ooit zag ik hem in de zaak friet bakken. Hij werd net een beetje beroemd met ‘Tjakka’ en het gebeuren van NLP. Nu zeggen NLP-aanhangers dat Emiles evangelie weinig met NLP te maken heeft.

Ik ga met m’n zak friet en een kroketje en frikadel op het kunstwerk zitten op het pleintje tussen Roggestraat en Ketelstraat. De bankjes rond het kunstwerk zijn bezet met mensen die eveneens goudgele aardappelstukjes uit de gele puntzakjes trekken. Ik proefde friet minder vet dan vroeger, maar met een lang kletsverhaal op de buitenkant.

Uit de Koningsstraat komt een invalide aangereden. Hij heeft zich niet geschoren en draagt een grote bril. Hij zit in een rolstoel en kijkt mij indringend aan. Een paar centimeter voor het stenen bankje laat hij de stuurknuppel los. De stoel staat stil. Hij kijkt me nog altijd aan. Ik knik bij wijze van groet en pak met het houten vorkje een frietje uit de zak. De man houdt een zak vast waar uit de onderkant een stokbrood naar beneden wijst. Bovenin is de zak dichtgeknoopt en hij weet hem zo vast te houden dat hij nog ruimte heeft het stuurknuppeltje te bedienen. In de andere hand rust een plastic tasje. Het logo van de keurslager staat erop.

De man hengelt met een vrije vinger onder zijn arm en tovert een handtasje te voorschijn. Onderwijl kijkt hij me aandringend aan. Ik pak de kroket en zie dat hij stijf is geworden van het warmhoudplaatje waarop hij achter het raampje lag. De invalide is druk in de weer de rits van het tasje open te krijgen. Dan verdwijnt zijn wijsvinger in het gat om er iets uit te vingeren. De korst van de kroket is warm, de inhoud koud.

Hij haalt er een donker staafje uit. Het is een sigaar, die hij op zijn buik legt. De wijsvinger verdwijnt samen met de middelvinger weer in het gat. Ik zie hoe hij zich de voorwerpen voorstelt die door zijn vingers glijden. Een moment later komt een aansteker tevoorschijn. De man friemelt de sigaar in zijn mond en probeert handen vrij te maken om de sigaar aan te steken.

Ik ben halverwege. De mayonaise drukt tegen de papieren zak en de frietjes verlaten zonder saus het zakje. Ik pak de frikadel en neem een hap. Het stokbrood bengelt nu vervaarlijk los. Ik vraag mij af wanneer het brood meegenomen wordt door de zwaartekracht. Hij probeert het vuur in de sigaar te krijgen. Slechts een puntje as verschijnt. Opnieuw vuurt de aansteker. Hij zuigt aan de sigaar. Er stijgt wat blauwe rook op. Het vliegt langs mij terwijl ik de laatste hap van de koude frikadel neem.

Ik hengel verder frietjes omhoog. ‘Is het wat?’ vraagt de man in de rolstoel. We kijken elkaar wat langer aan. ‘Ik heb het 1 keer op. Verschrikkelijk vet.’ Hij maakt een gebaar van afschuw met zijn gezicht. Het lijkt of hij ieder moment de sigaar uit zijn mond kan spugen. Een wolk rook stroomt uit een mondhoek. ‘Maar laatst hoorde ik dat het heel aardig smaakte. Dat het gemaakt is van verse aardappelen. Proef je wat? Dat het echt aardappelen zijn?’

Ik knik. ‘Ach smaakt heel aardig’, zei ik. ‘Inderdaad niet zo vet als vroeger.’ Ik voel even de klontering van vroeger in mijn maag. Van het lege zakje maak ik een prop. Mijn maaltijd zit erop. Ik sta op en loop naar een vuilnisbak. ‘Tot ziens’, roep ik nog bij het weglopen.

Als ik net verder wil lopen, draai ik me snel om en zie de rolstoel wegrijden. Het stokbrood ligt op de plaats waar ik net zat. Ik wil hem nog naroepen, maar bedenk me net op tijd.