Bij het openschuiven van de gordijnen zag ik hem liggen: een dode merel. Als dat maar niet een dode merel is, dacht ik niet. Ik zag alleen donkere veren. Het leek zo uit de verte ook wel een dot sokken, maar het was een dode vogel. Daarvoor fladderden de veren teveel op het zachte briesje dat over de parkeerplaats trok.

Ik heb een hekel aan dode merels. Ze horen te vliegen en vooral ze horen te fluiten. Ik hoor ze al een maand niet meer fluiten. Er zal toch niks ergs aan de hand zijn, dacht ik. Vorige week waren we in Waterwijk boodschappen doen. Daar hoorde ik de merels wel fluiten. In onze buurt blijft het stil.

Ik kan het weten, want ik fluit met merels. We hebben een vast wijsje. Het voorjaar werd beheerst door een wijsje dat ik ze aanleerde. Op een bepaald moment wist niemand meer of ik het was of dat de merels het waren. Maar nu ben ik het, want de merels fluiten niet meer.

Ik heb hem na het hardlopen met de schep opgeschept. Ik vond het deerniswekkend om te zien dat mijn fluitmaatje daar zo moest liggen. De nek geknakt, de snavel wees op een rare manier van zijn lijf af. Ik tilde het lijk naar de bosjes wat verderop. Daar heb ik het een laatste rustplaats gegeven tussen de struiken. De plek waar merels zo vaak zoeken naar wormpjes en ander eetwaar.

Zou het een erge ziekte zijn waaraan hij is overleden? Nog niet zo lang geleden leden merels aan een dodelijke ziekte, de gele ziekte, of Trichomonas gallinae. Al zou de ziekte vooral bij warm weer goed gedijen, het is iets om in de gaten te houden. De eksters zien er ook al zo beroerd uit met de kale koppen. Merels zie ik eveneens in niet-opperbeste conditie voorbij scheren. Veren alle kanten op, de staart gehavend. Daarbij houden ze vooral hun bek.

Geen gefluit, zelfs geen verdrietige dodenmis.