De trein rijdt in volle vaart over de A1 in de richting van Almere. De auto’s suizen in een snelle vaart onder de brug waar de trein overheen gaat. De auto’s van de A6 hebben keurig het knooppunt Muiderberg doorlopen en rijden met ons op naar Almere. De snelheid ligt ongeveer gelijk.

Een meisje een paar ramen verder zit aan de telefoon. ‘Nee, ik rij nu bijna bij de brug’, zegt ze. Het is even stil. De bomen suizen aan mijn kant van het raam voorbij. Het wordt door de snelheid een groene muur. ‘Ik zie nu een beige busje rijden. Zit je daar?’ De opmerking wekt mijn nieuwsgierigheid en ik staar naar de auto’s die op volle snelheid over de snelweg rijden. Ze naderen de Hollandse Brug.

Zo snel zie ik geen beige busje. Ik hef me iets op, rek mijn rug en zie door het raam inderdaad een beige Volkenswagen busje rijden. Een Transporter als ik mij niet vergis. ‘Ja, ik zie jullie rijden.’ De trein haalt traag de auto’s in. Het bordje ‘100’ langs de kant van de snelweg, zou de snelheid van de auto’s moeten zijn. Ik vraag het mij af. We rijden niet veel sneller en een vaartje van 100 zou ik moeten herkennen.

‘Zie je mij niet?’ vraagt ze. Haar stem klinkt duidelijk door het verder rustige treincompartiment. Verder geen stem of luide oordoppen die een dreun geven buiten de cadans van de trein. ‘Ik zit bij het tweede raam.’ Ik kijk snel. Ze zit inderdaad een flink eind van mij af. Ik zit bij het vierde of vijfde raam tel ik zo in de gauwigheid.

Aandachtig kijk ik over de brug. Een blauwe Opel station rijdt ongeveer gelijk met ons op. Daarvoor rijdt een witte SU4-achtige wagen. Hoog op de banden, achterop een stel fietsen. Terug van vakantie zo te zien. Bijna op het moment dat de auto ter hoogte van mijn raam rijdt, zwaaien de inzittenden in de richting van de trein. De man achter het stuur, de vrouw duidelijk een telefoon aan het oor. Een donkere zonnebril kijkt in onze richting.

Dan slaat het spoor de trein linksaf en trekt zich los van de A6. De auto wordt steeds kleiner en de stilte van het compartiment keer weer. Het meisje aan de telefoon verstomt en de reizigers duiken weer in hun krantje. De man iets verderop, bij het zesde raampje of zo, trekt een partje van zijn sinaasappel los en hapt erin. Dromerig kijkt hij naar buiten.