‘Zo daar zijn we weer’, verzucht een bruinverbrande jongen. Hij hangt aan de stang bij de deur. Onrustig beweegt hij. Hij lijkt er al uit te willen springen terwijl de trein pas het station binnenrijdt. De tegels van het perron glijden steeds trager langs tot de trein stilstaat. Met een licht schokje drukt zijn vriend tegen hem aan. ‘Het was maar 2 weekjes hoor’, zegt de vriend met het blonde haar.

Een groep van zo’n 8 jongens bevolken het treinbalkon. Ze balanceren tussen de weekendtassen, koffers en rugzakken. Ze zien er zichtbaar vermoeid uit van 2 weekjes uit. Voor mij stapt een jongen met blond stekeltjeshaar uit. Hij zou zo uit de set van Oh oh Cherso kunnen komen. De joligheid hebben ze nog wel. Toch schieten de vermoeidheid en opluchting door als ze het perron opstappen.

Ze zijn zenuwachtig. Een jongen fluit nerveus. Een andere jongen frunnikt minstens zo zenuwachtig aan zijn gouden ketting. De zonnebril zit scheef in het haar. Die heeft hij niet nodig bij het barre weer dat hij in Nederland treft.

Als ze de poortjes doorlopen, keurig achter elkaar, zie ik ze nerveus in de richting van het parkeerterrein kijken. Een van de jongens krijgt al een enthousiaste omhelzing van zijn moeder. Ze is vooruit gelopen en lacht vrolijk. Blij en opgelucht geeft ze hem een stevige pakkerd.

Zijn bruinverbrande huid laat in het midden of hij bloost of dat het nog van de Griekse zon is. Ze laat hem los, pakt de tas op en loopt vrolijk voor hem uit in de richting van de auto. Daar staat de rest van de familie, iets verdekt opgesteld, maar minstens zo opgelucht en blij.

Nog 2 jongens staan te wachten iets buiten de schuifdeuren van de stationshal. ‘Wie komt jou halen?’ vraagt de jongen met de rugzak op de rug. ‘M’n moeder’. De rugzak zet een diepe stem op. ‘Je moeder’, schalt onder het beton van de spoorbaan. De imitatie komt behoorlijk overeen met dezelfde zinsnede die Jochem Myjer in een show doet. De jongen die op zijn moeder wacht, blijft niet achter. ‘Ja, je moeder’, met een even diepe stem.

Voor de jongens stopt een auto waar een man uitstapt. ‘Kom’, zegt vader zakelijk en geeft de jongen een snelle hand. De jongen loopt al naar achteren om zijn rugzak in te laden. ‘He, we zien elkaar weer’, zegt hij terwijl hij in de SU4 instapt. ‘Ja, hé tot kijk.’ Als ik wegrijd op mijn fiets, zie ik de moeder de jongen omhelzen. Ik kan niet zien wie wie nou het meeste gemist heeft. Daarvoor rij ik te ver van ze af.