De konijntjes schieten weg als ik bij het Muiderstrand kom aanlopen. Soms zitten er hele jonge bij. Ze huppelen vlak langs mijn voeten de bosjes in. Kleine gaatjes tussen het lage struikgewas vertellen de verstopplekjes. Als ik voorbij ben, springen ze even snel weer op het fietspad.

De honden zijn de blauwalg ontvlucht. De baasjes eveneens. Soms fietst een wielrenner voorbij. Verder gebeurt hier weinig. Zeker als de lucht dreigend zijn donkere vuist opsteekt in de vorm van een grijze wolk.

Ik ren verder. In de bosjes zitten een paar kraaien. Hun spitse snavels verraden dat het echt kraaien zijn en niet hun kleinere neefjes, de kauw. 1 kraai hakt flink op de grond, trekt iets omhoog en beweegt zijn snavel snel om het naar binnen te werken. Het ziet eruit als vlees.

Hij vliegt op als ik wel heel dichtbij kom en kijkt me met een spijtige blik aan. Hier was iets moois aan de gang. Ik kijk in het gras, vlak voor een kleine opening in het lage struikgewas. Hier ligt een klein konijntje half opgepeuzeld.

Het vlees blinkt vers. Het oogt alsof het zojuist panklaar is gemaakt door de slager en in de toonbank is gelegd. Alleen het prijskaartje ontbreekt. En de vacht bovenin de verse konijnenbout verraadt dat het een zojuist veroverd konijntje is. De spieren van de been worden juist opgepeuzeld door de kraaien.

De kraai die van een afstandje toekeek, ziet nu genoeg kans. Ik ben ver genoeg voorbij de plek des onheils om toe te slaan. Hij vliegt op de malse konijnenbout en begint even enthousiast op het vlees te hakken. Tot een luide kraaienschreeuw hier een einde aan maakt. De door mij verjaagde kraai, grijpt zijn maaltje weer terug en geeft zijn soortgenoot een flinke haal.

Zo gaat dat met lekkere maaltjes. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt.