We lopen naar het audiologisch centrum voor de hoorafspraak met Doris. Het regent zachtjes. De druppels vormen kringen in het water van de gracht waar we net het bruggetje oversteken. We passeren het bejaardentehuis. Het terras is leeg. Alleen onder een afdakje zie ik een paar mensen staan.

Een meisje met een rood shirtje boent de tafels af. Ik zie voor me hoe nat ze zijn geworden van de aanhoudende regenval. Haar halflange blonde haren vallen voor haar gezicht. Zo ingespannen veegt ze de tafels schoon. Een jongen met een grote bril op zijn neus wringt net een natte doek uit boven een grote blauwe emmer. Hij steekt bij het uitwringen zijn tong uit zijn mond.

‘En ze hadden ook onweer voorspelt’, hoor ik het meisje zeggen. Ze loopt een tafel verder en veegt de plassen water die op het tafelblad liggen op. Ik vraag me af of het veel zin heeft. De regen is weer een beetje aangezwollen. De jongen wringt het doekje nog altijd uit.

De luifel houdt weinig van de regen tegen. Maar de bosjes houden een goed zicht voor mij tegen. Ze geeft het natte doekje aan de jongen met de bril. Hij zwaait er onhandig mee naar de emmer. En geeft haar in dezelfde onhandige beweging het doekje dat hij net uitgewrongen heeft. Ook zij steekt de tong uit. Haar onderarmen steken wit uit onder het rode shirt. Ze hebben nog niet veel zonlicht gehad.

Iets achter de 2 hulpjes van het bejaardentehuis staat een oudere vrouw. Haar haar zit netjes in een permanentje. Iets opgestoken. Ze trekt aan een sigaretje en leunt tussen de muur en een stok. Het meisje houdt even op met het drogen van de tafel. Ze kijkt de oudere vrouw heel stellig aan: ‘daarom ben ik mooi met de bus gegaan’.

Ik ben eigenlijk al te ver doorgelopen om het antwoord nog te horen. Maar ik hoor duidelijk een diepe doorrookte stem antwoorden: ‘Je hebt groot gelijk meissie’.