Ze loopt over de tennisbaan. Aan de tennisbaan grenzen volkstuintjes. Daar groeit kool, verschiet sla en geurt ui. Zij staat op de tennisbaan. Alleen. Zenuwachtig draait ze het racket terwijl ze naar de andere kant van de baan loopt. Ze raapt af en toe een verloren bal op de baan. De bal verdwijnt zorgvuldig in een zak.

Al ballen pakkend komt ze bij de andere kant aan. Ze gaat helemaal in de hoek van het veld staan, grabbelt een bal uit haar broekje en werpt de bal omhoog. Precies op het juiste moment slaat het racket de bal. Met een vaartje raakt de bal de grond waarna hij weer omhoog stuitert van het gravel.

Ze werpt de ballen in de lucht en laat ze het racket raken tot ze door het voorraadje heen is. Dan loopt ze traag weer naar de andere kant en raapt de ballen op. Ze verdwijnen in haar broekzakken. De ballen bulten in haar broek. Als de wratten van een pad vormt haar broek een grimmig geheel van onregelmatigheid.

De bulten deinen mee naar dezelfde kant van de baan. Een stukje uit de zon. Ze grabbelt weer in haar broekje en haalt een bal omhoog. Ze bekijkt het ronde ding als een kind dat net een cadeautje uit de grabbelton heeft gehengeld. Dan gooit ze de bal met een vaartje de lucht in en geeft er een klap tegen met het racket.

Als de ballen op zijn, loopt ze weg van de bulten naar de tafel die aan de rand van de baan staat. Ze pakt het flesje water, brengt de opening naar haar lippen en drinkt. Tevreden kijkt ze naar de man die languit op het blad van een tafel verderop ligt. Haar tennismaatje is duidelijk nog niet klaar voor de training. Ze loopt terug en raapt de gele ballen van het rode veld.

Als ze naar haar plekje teruggaat, bulten de ballen in haar broekje.