Een beetje treinreiziger of spoorliefhebber zou het moeten lezen: De grote spoorwegcarrousel van Paul Theroux. Het is de vertaling van The Great Railway Bazaar uit 1975. Waarom vertaler Cor Koreman gekozen heeft voor carrousel in plaats van bazaar is mij onduidelijk. De oorspronkelijke titel verwijst naar een perzisch woord dat niet alleen een overdekte markt betekent, maar ook verwijst naar het (verre) oosten. Dit aspect komt veel terug in het boek.

Theroux verwijst vaak naar de oosterse bazaar en noemt de trein soms een marktplaats op wielen. Het woord carrousel verschuift de betekenis naar de beweging van de wielen en brengen een temporeel aspect in het verhaal. Terwijl het tempo juist wegvalt. Als je maar lang genoeg in de trein zit, verdwijnt de tijd en maken 5 minuten of 5 uur vertraging niet meer uit.

Paul Theroux maakte in de laatste 4 maanden een bijzondere rondreis door Europa en Azië. De Amerikaan stapte in Londen op de trein om via Triëst, Belgrado en Istanbul naar Azië te reizen. Daar maakt hij een trip in heel veel spectaculaire spoorlijnen zoals in Iran, India, Thailand en Japan. Uiteindelijk reist hij terug met de Transsiberië-express en Moskou naar Amsterdam en uiteindelijk naar Londen.

De grote spoorwegcarrousel is het eerste treinreisverslag van Paul Theroux. Later verschijnen nog zijn verslag in China: China per trein, en Latijns-Amerika: De oude Patagonië-Expres. De reis van De grote spoorwegcarrousel maakt hij zelfs nog een keertje 30 jaar later. Dit boek is in 2008 bij uitgeverij Atlas verschenen als De grote spoorwegcarrousel retour. Een boek dat nog op mijn wensenlijstje staat.

De treinreizen van Paul Theroux die ik in mijn bezit heb

Kringloopwinkels
Het boek De grote spoorwegcarrousel is een groot verkoopsucces geweest. Dat zie je terug in de mate waarin het boek terug te vinden is in antiquariaten en kringloopwinkels. Ik bezit 2 exemplaren van dit boek, maar ben het vaak tegengekomen op mijn speurtochten naar boeken. Het boek ziet er echter vaak ongelezen uit. Terwijl het echt de moeite van het lezen waard is.

Theroux maakt op zijn reis van Londen naar Tokio – en terug – heel veel mee. Het is een spectaculaire reis vol ontberingen, ontmoetingen en belevenissen. Geen dag is hetzelfde als je met de trein reist. Zeker op de plaatsen die Theroux aandoet. Dat is me wel duidelijk geworden bij het lezen van De grote spoorwegcarrousel.

De reis bestaat uit mooie ontmoetingen met medereizigers. Theroux bekommert zich niet zozeer in wat voor een trein hij zit. Of een diesellocomotief of een stoomlocomotief de trein trekt. Hij beschrijft de reis en de ontmoetingen met anderen. Hij doet dit erg aanstekelijk. Zoals hij de eerste reiziger beschrijft, zo volgen er velen. De eerste medereiziger is de heer R. Dufill, zijn naam en adres waren op al zijn bezittingen te lezen. Zijn naam wordt later een werkwoord, schrijft Theroux.

De reis die Paul Theroux maakt in De grote spoorwegcarrousel

Oriënt Expres
Dat heeft te maken met de bijzondere reis in de Oriënt Expres. Er ontbreekt een restauratierijtuig in de trein. De roemruchte verhalen over deze bijzondere trein van Londen naar Istanbul zijn in 1973 niet meer van toepassing. Het gebeurt als Theroux met zijn medereizigers Molesworth en Duffill uitstappen op het Italiaanse station Domodossola voor een ontbijtje. De aanschaf verloopt niet soepel en als ze bij de trein aankomen, lijkt deze te gaan rijden. Ze denken dat de trein een rangeerbeweging maakt en niet vertrekt. Maar hij rijdt weg.

Theroux en Molesworth weten nog op tijd op de rijdende trein te stappen. De oudere Duffill slaagt hier niet in en blijft achter. Sindsdien duidt Molesworth elke situatie waarbij de trein dreigt te vertrekken met ‘Ik laat me niet Duffillen.’ Theroux neemt deze uitspraak gretig over in zijn verslag. Als er ook maar een situatie dreigt te ontstaan met een vertrekkende trein waar hij nog op moet stappen, wordt Duffill van stal gehaald. Zo is R. Dfufill die de reis met de Oriënt-expres ook in 1929 maakte, mooi vastgelegd.

De grote spoorwegcarrousel onderscheidt zich van andere reisverslagen door het enthousiasme waarmee Paul Theroux zijn reis maakt. Hij weet dit prachtig over te brengen in het verslag dat niet alleen over treinen gaat, maar vooral over mensen. Zeker Theroux heeft veel bewondering voor de techniek. Zo wil hij hoe dan ook de treinreis naar Maymyo in Birma maken omdat de Mandalay-expres hier over een prachtig viaduct rijdt bij Gokteik. Ook bewondert hij de oude houten rijtuigen. Ze bieden hem de juiste mate van verkoeling, in tegenstelling tot de hypermoderne stalen rijtuigen. De airconditioning levert alleen maar kou op, vindt Theroux.

Juist die vermenging van techniek, reizen en de ontmoetingen in de treinen maken De grote spoorwegcarrousel tot een heel aantrekkelijk reisboek. Dat komt ook door de oneindige verwondering van Theroux. Hij registreert alles. Op bijna onnavolgbare wijze weet hij zijn medereizigers en situaties in een paar zinnen heel treffend te beschrijven. Het levert hilarische situaties op die elke reiziger meemaakt bij zo’n reis, maar die bijna nooit zo prachtig worden verteld.

Als Paul Theroux arriveert in Istanbul maakt hij spoedig de oversteek naar Azië. Via het Aziatische deel van Turkije en Irak komt hij in Teheran. Een totaal andere stad dan de huidige. Nog sterk onder invloed van Amerika. Hij komt uiteindelijk per spoor tot in Masjhad. Via allerlei busverbindingen door Afghanistan en over de Khyber pas bereikt hij India.

Drollenwereld
India is een droomland voor treinreizigers. Zo reist Paul Theroux met de Kalka Mail naar Simla, de Rajdhani Expres naar Bombay, de Delhi Mail en de Grand Trunk Expres van Delhi naar het zuidelijk gelegen Madras. Hier is Theroux verbaast over de Indiërs die zich er niet voor schamen om langs de spoorbaan te poepen. In een prachtige alinea verwoordt hij de ‘derde wereld’, die verdacht veel heeft van een drollen (Turd) wereld:

Het zuiden was onverwacht koel en weelderig: de groenheid van het landschap kwam overeen met het groen op de kaart, de zeeniveaukleur van het gebied. Omdat het nog vroeg was, en omdat Indiase dorpsbewoners de spoorbaan als de grens met de wereld beschouwen, zaten er overal langs de baan mensen gehurkt, bezig met schijten. Eerst dacht ik dat ze gewoon gezellig op de hurken zaten om de trein voorbij te zien gaan, tot ik de felgele lappen onder hen ontdekte. Ik zag één man, maar hij bleek de voorganger van een hondertal anderen, allemaal naar de trein kijkend vanwege het vermaak, en intussen de baan bevuilend. Ze waren aan het schijten toen de trein arriveerde; en dat deden ze nog steeds toen de trein vertrok. Er zat een wonderlijk stel – een man, een jongen en een varken – op een rijtje te schijten, ieder op zijn eigen manier. Een waardige heer zat met opgetrokken dhoti op enige afstand van de spoorbaan. Hij bekeek de trein en het zag ernaar uit dat hij daar nog wel eventjes zou blijven: hij hield een grote, zwarte paraplu boven zijn hoofd en een krant op zijn knieën. Hij scheen werkelijk het volmaakte zinnebeeld te zijn voor wat een man in Delhi ‘The Turd World’ had genoemd. (163-164)

De droom van Theroux is om door te reizen naar Ceylon. Hij wordt uitgelachen door de Indiërs op de station, maar hij krijgt toch zijn zin. Hij vindt de boemel naar Rameswaram. Hier gaan 2 wensen van hem in vervulling: hij vindt een trein naar Ceylon en hij krijgt een slaapwagen voor zich alleen. Hij moet hier wel iets voor over hebben. Theroux zit in wat hij de langzaamste trein ter wereld noemt. De trein stopt om de 10 minuten bij een halte. In de vlugheid telt hij 49 haltes voor de rit naar Rameswaram. De rit duurt uiteindelijk zelfs 22 uur.

Mandalay Expres
De reis die Theroux in Birma maakt met de Mandalay Expres is van een ongekende schoonheid. Zeker ook omdat Theroux er met zoveel liefde en passie over schrijft. Hij heeft het grote verlangen – bijna zelfs een obsessie – om het viaduct bij Gokteik te zien. Jarenlang zou al geen westerling over dit viaduct zijn gegaan. De Fransen hebben dit viaduct gebouwd. Theroux rekent dit viaduct absoluut tot een knap staaltje ingenieurskunde.

Birma is echter al jaren geteisterd door burgeroorlogen en het regime heeft westerlingen uitdrukkelijk verboden naar Rangoon naar Maymyo te reizen. Uiteindelijk stapt hij in, krijgt het onderweg te verduren met 6 soldaten die de trein op een zijspoor laten rijden en Paul Theroux ondervragen. Hij krijgt permissie, maar de veiligheidsofficier U Sit Aye zit de hele reis bij hem. Dan krijgt hij het viaduct te zien. Het doemt op uit de vochtdampen van het regenwoud:

Het viaduct, een monster van zilveren symmetrie tussen de ruige rotsen en de wildernis kwam in zicht en verdween toen achter een uitstekende rots. Het kwam af en toe weer te voorschijn, werd groter, minder zilverzchtig, indrukwekkender. De tegenwoordigheid van dit door mensen gemaakte ding op een zo afgelegen plaats, wedijverend met de grootsheid van de geweldige kloof was vreemd, en toch leek het nog grootser dan zijn omgeving, die ook niet mis was – het water dat door de dwarsbalken stroomde en op de toppen van de bomen viel, de zwermen vogels tussen de wervelenne wolken en de duisternis van de tunnels aan de andere kant van het viaduct. […]
Bij de oprit van het viaduct stonden huiverende schildwachten met geweren over hun schouders; de wind blies door de muurloze onderkomens en de druilregen hield aan. Ik vroeg aan U Sit Aye of ik uit het raam kon leunen. Hij vond het best, ‘maar val niet.’ De treinwielen dreunden op de stalen overspanningen en het neerstortende water verjoeg de vogels drie honder meter lager uit hun nesten. Het lange verblijf in de kou had me gedeprimeerd, en de reis was saai geweest, maar dit wekte mijn enthousiasme op, een lange brug per trein oversteken, van de ene steile heuvel naar de andere, over een diepe wildernis, waar een rivier kolkte die door de moesson een bulderende stem had gekregen, en het steeds weer terugkerende geluid van de fluit horen, waarvan de echo door het ravijn naar China werd gedragen. (241-242)

De verleiding loert op deze bladzijden en brengt de fantasie op hol. Hoe is het om over dat viaduct te rijden: overweldigend. Hier spreekt Theroux gepassioneerd over de schoonheid die hij aantreft onderweg. Hier kan geen verbeelding meer tegenop: dit wens je te zien met eigen ogen.

De 2 exemplaren van De grote spoorwegcarrousel die ik in mijn bezit heb.

Noordster Nachtexpres
Een andere rit dat ik met rode oortjes las, is de route van Bangkok naar Singapore met de Noordster Nachtexpres. De 1600 kilometer lange treinreis maakt Theroux het liefste met oude, houten rijtuigen. De moderne gekoelde rijtuigen vindt hij maar niks. Ze zijn ronduit koud. Daar heeft hij een broertje dood aan. Bij Singapore is Theroux veel geld kwijt aan een douanebeambte die meent dat hij te lang haar heeft. Te lang haar kan je duur komen te staan in de politiestaat. Daarom betaalt Theroux de beambte een flinke steekpenning.

Of de spectaculaire reis door Vietnam. Het land is volop in oorlog. De Amerikaanse schrijver mag op audiëntie bij de directeur van de landelijke VVV. Daar krijgt hij te horen dat hij vooral moet schrijven hoe veilig het reizen is door Vietnam. Oké, het land is volop in oorlog en Amerika trekt zich weliswaar terug, maar het is echt veilig om per trein door het land te reizen.

Als hij voorstelt naar Bien Hoa te reizen, krijgt Theroux van de directeur te horen dat het de slechtste trein ter wereld is. Die moet hij vooral niet nemen. Maar voor Theroux is het negatieve reisadvies juist een argument de reis wél te maken. Het levert hem inderdaad een prachtige reis op.

Helaas kan hij niet via Noord-Vietnam (Hanoi) doorreizen naar China. En van daaruit naar Japan. Hij moet het vliegtuig naar Japan nemen. De efficiënte spoorwegen van Japan bevallen hem maar matig. Theroux verwijt dit aan de hoge bevolkingsdichtheid. Elke storing veroorzaakt een ontploffing. Ook verwondert hij zich over de beleefdheid van Japanners. ‘De Japanners hebben de goede manieren zo vervolmaatk dat ze niet meer te onderscheiden zijn van onbeleefheid.’

Zo rijdt hij mee met de voor die tijd hypermoderne Super Hikari (=zonnestraal) Expres naar Kyoto. ‘De trein ging sneller dan mijn gedachten’, merkt de schrijver op. Hij vindt ook de ontmoetingen in deze efficiënte treinen minder aansprekend. Al raakt Paul Theroux juist in deze trein in gesprek met een Japanse professor in de literatuur.

Transsiberische expres
Na de overtocht naar Nachodka neemt Theroux de beroemde Transsiberische expres. Hij gebruikt slechts 35 bladzijden voor deze reis van 9600 kilometer. Hij voelt zich overduidelijk niet zo op zijn gemak. Het troosteloze landschap en zijn even troosteloze medereizigers brengen hem tot wanhoop. Het brengt hem maar tot 1 ding: de fles.

Deze troosteloosheid brengt prachtige beschrijvingen voort. Zoals de dikke Anna Fjodorovna. Theroux mag haar liefkozend Anoesjka noemen. ‘Dat deed ik en ze beloonde me met een apart gerecht, koude aardappelen en kip – donker, pezig vlees dat iets weg had van dicht textielweefsel.’ Weer terug in de coupé grijpt hij naar de fles. Net als hij zich de volgende morgen voorneemt overdag een verhaal te gaan schrijven in plaats van te drinken, gebeurt het. In Novosibirsk stapt een medereiziger in die niet veel verder komt dan hem aan te staren. Hij eet hetzelfde mistroostige grauwe vlees. Al probeert Paul Theroux hem een halte verder te duffillen, het mislukt.

Hij had zijn eigen eten, deze sukkel, daarom hoefte hij niet naar de restauratie. Zijn maaltijden waren iets buitengewoons Hij omringde zich met het eten dat hij had meegebracht: een klomp boter in vettig papier, het brood, het brok vlees en nog een krantenpakje met zuur en de jampot. Hij rukte een stuk brood los en kwakte er met het lemmet van zijn zakmes boter op. Dan pakte hij een zure bom en een stuk vlees, waarvan hij om de beurt een hap nam, zure bom, brood, vlees, daarna een lepel jam; daarna weer een hap van de bom, enzovoorts, zijn mond vullend voor hij begon te eten. Ik kon op het laatst niet meer naar hem kijken. Ik bracht hoe langer hoe meer tijd in de restauratie door. (388)

Leesfeest
Dit soort observaties maken De grote spoorwegcarrousel tot een feest om te lezen. Het boek zweeft tussen fictie en werkelijkheid. Dat geeft dit reisverslag zo’n extra schwung. Als lezer neem je – zonder er erg in te hebben – de reishouding aan. De letters trekken aan je voorbij zoals het landschap langstrekt als je in de trein zit. Je bereikt een halfdromerige extase waarbij de gebeurtenissen in een cadans passeren. Het verveelt je en grijpt je bij de kladden tegelijk. Het verhaal pakt je zo dat je aan het einde net zo verontwaardigd bent als Theroux. Hij krijgt in Moskou geen doorreisvisum door Polen om in Amsterdam te komen. Zo moet hij nog langer wachten voordat hij eindelijk terug naar huis kan.

En zo eindigt het verhaal ook voor de lezer bij het begin. Zelfs de schrijver Paul Theroux begint met het lezen van zijn eigen boek:

De reis is voltooid, net als het boek en zometeen zal ik de eerste bladzijde openslaan en, om me te amuseren op weg naar Londen, met enige voldoening mijn reis lezen, die als volgt begint: Al sinds mijn kindertijd, toen ik op gehoorsafstand van de Boston & Maine woonde, heb ik zelden een trein voorbij horen gaan, zonder te wensen erin te zitten… (398)

Bronnen
Paul Theroux: De grote spoorwegcarrousel. Vertaald door Cor Koreman. 6e druk. Uitgeverij De Arbeiderspers, 1993 [1979]. AP-pocketeditie. De Engelse versie, The Great Railway Bazaar verscheen in 1975 bij uitgeverij Hamish Hamilton in Londen.

In 2006 maakte Theroux de reis opnieuw na 30 jaar. Dit boek verscheen bij uitgeverij Atlas als De grote spoorwegcarrousel retour in 2008. Als ik dat boek te pakken krijg…

Update
En of ik het te pakken kreeg: De grote spoorwegcarrousel 33 jaar later.