Hij ligt stijdvaardig, half op de rug. Een egeltje dat deze nacht gesneuveld is. Midden op het fietspad heeft hij de doodstrijd geleverd. Het mocht niet baten. De forens ziet hem bij het krieken van de ochtend. De fietsband kan net op tijd uitwijken. Zo rijdt hij met een waardig bochtje om het diertje heen.

Geen monument voor hem. Zelfs geen moment. De dag roept. Geen tijd lang stil te staan bij het heengaan van een egel. De trein vertrekt dadelijk van spoor 2. De flitser schiet ongeduldig het donker in. Een volgende forens ontwijkt het dode dier. ‘Jakkes’, roept de vrouw die achter hem aan ternauwernood de dood passeert.

Hoe zou dit zo gekomen zijn. Hij is duidelijk slachtoffer van een ongeval. Een brommer die hij niet zag aankomen. Iets anders dat hem midden op het fietspad geschept heeft. Ik vraag het mij af. Een schuldgevoel bekruipt me. Waarom heb ik zijn dode lichaam niet even met de zijkant van mijn schoen in de goot geduwd?

Tegelijkertijd ben ik tevreden met het beeld van al die forensen die het lijkje ontwijken. Dan zien ze goed hoe de natuur het van de stad verliest.