image

Ondanks de zere keel waarmee ik vanmorgen ben opgestaan, ga ik toch naar Amsterdam. Manuscripta roept. Ik voel de opgezwollen klieren drukken en probeer de ergste irritatie weg te slikken. Het helpt niet.

De trein vertrekt. Vlak achter mij is een gezin neergestreken. De kinderen rennen het hele compartiment door. Ze stoppen precies bij het klapdeurtje dat bij ophoudt. De trein meerdert vaart. Een jongetje met een kaarsrecht geknipte pony springt op de lege bank tegenover mij. Hij wipt op zijn knieën naar het raam en kijkt naar buiten.

De sporthal trekt aan ons voorbij. Het jongetje wurmt zich weer recht. De voetjes tikken tegen mijn broekspijp aan. Ik ken mensen die daar niet van houden. ‘Ja, gooi maar weg’, hoor ik iemand zeggen. Er klinkt een luid geraas. Blijkbaar klapt de vuilnisbak de verkeerde kant op. Van alles rolt over de grond. Geen reactie.

De familie bevolkt zeker 3 plekken in dit treingedeelte. De banken achter mij aan beide ramen en de banken nog een rij verderop bij het raam aan mijn kant. Het is een familie uit Latijns-Amerika. De Fillipijnen zou ook nog kunnen. Ik weet het niet. Bij het gezelschap zit 1 Nederlandse man. Het is een oudere man. Hij draagt een bril en zijn haren staan gekruld door het zweet. Vooral in zijn nek en rond zijn oren is het goed mis.

‘Nee, dat is een lago’, zegt de man tegen iemand die achter mij zit. Blijkbaar zijn er nog meer Nederlands. ‘Mare, is de zee’. We passeren een klein meertje in de buurt van Weesp. De trein staat even stil. De grafzerken van de begraafplaats van Diemen glijden traag langs het raampje. De spoorlijn die boven ons langsgaat, doorkruist het kerkhof.

Het jongetje rent weer door de trein. Hij heeft zijn zusje meegenomen. Precies bij het klapdeurtje stoppen ze. Dan begint het zusje heel hard te gillen. Zonder aanleiding. Achter mij begint nog een kinderstem hoog te gillen. Niemand zegt iets. Alleen het gillen klinkt. De trein maakt weer vaart.

De vrouw die schuin tegenover mij zit, kijkt ergerlijk op. Ze houdt de hele treinreis al een kaartje in haar hand dat lijkt op een gekopieerd bankbiljet. Ik zie het logo van de NS erop zitten. Onderin staat het euroteken met daarachter 10,60. Het bedrag ligt op alle fijnlijnige cirkels en kringen. Ze houdt het papiertje stevig vast terwijl de kinderen blijven gillen.

De man praat Spaans alsof hij nooit anders gedaan heeft. Naast hem zit een oudere vrouw. Ik vermoed dat het zijn Fillipijnse vrouw is. Ze draagt een donkere, korte rok. In het strakke blauwe shirt welft een weelderig buik naar voren. In haar oren zitten blauwe oorbellen in de vorm van wereldbolletjes. Ze kijkt de man aan en knikt.

Als de conducteur omroept dat we Amsterdam naderen, vliegt het jongetje weer langs mij. Hij springt op de bank. Wipt op zijn knieën naar het raam en tuurt naar buiten. We passeren het bordje Amsterdam. De hele familie staat op en loopt naar de deur. ‘Jan Carlos’, hoor ik een ouder roepen. Het jongetje drukt zijn voetje tegen mijn scheenbeen. Precies naast mijn voet springt hij op de vloer.