image

Voor ons rijden 2 meisjes op een fiets. Ze slaan af, het bruggetje op. Het achterste meisje draagt een hoed om te kunnen paardrijden, een cap. Haar paardrijlaarzen tikken tegen het metaal van het achterrekje waarop ze zit. Het lijkt wel of ze een heuse klikklak maakt naar het vriendinnetje dat voorop rijdt.

Als ze midden op het bruggetje staan, roepen ze met lange halen een naam. Direct gevolgd door nog een naam met bijna dezelfde haal. Plotseling klinkt tussen de bomen een luid gehinnik. Een paard staat met de kont naar de meisjes toe. De kop draait in hun richting, achterstevoren. Een grijns verschijnt en de blote tanden hinniken mee.

Ik verbaas me over zoveel blijdschap. Zouden de paarden de meisjes herkennen, vraag ik mij af. Uren later zie ik vanuit de auto het meisje lopen. Ze loopt over hetzelfde fietspad maar dan veel verderop. Haar broek is nat. Bij haar billen tekenen zich de sporen van gras en nat. Een meisje in de regen dat terug naar huis loopt.

Ze denkt aan het paard. Het samenzijn. En ik denk aan Midas Dekkers. Hij suggereerde namelijk eens dat de liefde voor het paard er alleen maar is om zich voor te bereiden op een andere liefde. Het paard zou daarmee de eerste liefde zijn. Ze loopt precies zo. Doorweekt van regen en toch gelukkig.