image

Ze zit in de trein en leest een Spitsje. Het papier ritselt door het compartiment. De conducteur komt binnen en tuurt door zijn uilenbrilletje de kaartjes langs. Ze houdt haar OV-jaarkaart omhoog. De conducteur pakt de kaart en houdt er zijn apparaat bij. ‘Ja, mag ik er het kaartje bij zien?’ ‘Dit is toch het kaartje’, zegt het meisje. Ze krijgt al een kleur. Het maakt haar onbedoeld schattig.

De lichtgrijze pullover en de blonde haren kleuren haar gezicht nog roder. Er zijn van die mensen die al een kleur krijgen voordat er iets aan de hand is. ‘Dit is vrij reizen door de week.’ Haar haren zitten in een staartje samengebonden. Het lijkt of het staartje meetikt op de schrik. De conducteur kijkt verbaasd door zijn kleine ronde brillenglazen. ‘Ik zie toch heel wat anders’, zegt hij. ‘Wacht even.’

Hij pakt het kaartje weer, laat het weer langs zijn apparaat glijden. ‘Heb ik weer’, verzucht het meisje. ‘Wacht nou even’, zegt de conducteur geruststellend. ‘Nog niet in paniek raken voordat er iets is.’ Het apparaat heeft veel tijd nodig om de informatie te verwerken.

‘Nou klopt het wel’, zegt hij na lang wachten. Het meisje slaat haar hand op haar borst. ‘Gelukkig.’ ‘Je hebt gewoon een rotkaart’, zegt hij. ‘Die dingen doen het nooit.’ Ze kijkt hem opnieuw verbaasd aan. ‘Maar mijn apparaat is ook een rare hoor. Hij zei net echt iets heel anders.’ Dan loopt hij naar de volgende rij banken. Het meisje slaat haar Spitsje weer open en leest verder. Alsof er niks gebeurd is.