image

Een grote blauwe vuilniszak staat naast de wagen. De bezem is geparkeerd tegen het busje met open achterkant. In de laadbak staat een man voorovergebogen bij het rek dat bestuurderscabine en laadbak van elkaar scheidt. Hij heeft een baseballpetje in de hand. Hij staat tegen een enorme knuffelbeer. De beer hangt aan het rek en de man frunnikt de pet op de kop van de beer.

Zelf heeft de berenversierder een kale kop. Uit het open raam van het busje klinkt dreunmuziek. Zijn collega komt met een andere bezem en een andere blauwe vuilniszak uit het bosje. Hij kwakt de vuilniszak tegen de voorband van het busje. Ook hij frunnikt maar dan in zijn zak en haalt een sigaret tevoorschijn.

Als hij de sigaret aansteekt, zit het petje op de kop van de beer. Trots kijkt de kale pettenman naar zijn collega. ‘Die zit’, mompelt hij. ‘Inderdaad, die zit’, krijgt hij als antwoord. De rook blaast omhoog in de richting van de beer. De beer, een afdankertje, net als de pet, kijkt niet op of om. Even onbewogen als het moment dat een kale man over hem hing om een petje op zijn hoofd te klemmen.