image

Een zere rug heeft haar verhinderd naar het zwembad te gaan. Ik heb me gehaast om precies op tijd thuis te komen en gelijk door te fietsen met haar naar het zwembad. Een lange rij voor de kassa. Ze wordt bijna omver geduwd. Een mevrouw trekt ongedurig een kind achter zich aan.

Ik voel hoe de energie van een dag werken zich vermengt met de berusting van het wachten straks. Ze kleedt zich om. Haar badpak draagt ze al. Het oude shirt dat ze aan heeft, mag ook het water in. Ze trekt de deur open terwijl ik nog de plastic folie om mijn schoen friemel. Een deel van de zool steekt door het plastic heen. De zool drukt druppels vocht in het folie.

Ze staat al onder de douche. Kinderen dringen een plekje onder de stralen die uit het plafond naar beneden vallen. Geduldig wacht ze op haar beurt. Een jongetje drukt haar weg. Ze komt naar me toe en vraagt onder welke douche ze moet staan. ‘Neem die dan’, wijs ik ongeduldig naar een douche langs de wand. ‘Die is kapot.’ Ik wijs naar een andere. Als ze er staat, komt het andere jongetje daar weer staan.

Hoe makkelijk verschuiven anderen hun probleem naar een ander. Eindelijk vindt ze een plekje en laat het vocht vanuit het plafond op het shirt vallen. Dan mag ze naar de juf. De groep kinderen die klaar is met zwemmen, druipt met de ouders richting kleedkamer af. Ik geef haar het bonnetje mee. Een moeder naast mij schreeuwt tegen haar kind dat ze geen bonnetje heeft. ‘Zeg maar dat het rotapparaat het niet deed.’

Het restaurant zit bomvol. Ouders hebben hun tassen op de tafels gezet als merkteken dat zij daar zitten. De rij voor de bar is lang. Een vrouw vraagt een kaassoufflé en een patat. ‘De frituur is niet aan vandaag’, zegt de medewerkster. De vrouw begint te schelden. Ik hoor iets over slechte service.

Als de vrouw voor mij in discussie is over een theezakje geef ik de moed op. Hier valt niet veel te halen. De tafels bij het raam zijn allemaal bezet. Ik zie nog een vrij plaatsje naast een meneer die net een hap neemt van een kaassoufflé. De vrouw naast hem laat een theezakje in het hete water zakken.

Ook het bankje in het kijkhok is bezet. Ik zie weer terug hoe mijn moeder in een bomvol hok naar mij keek. Ik bleef drijven en vroeg of ze het gezien had. Ze stond daar in net zo’n bedompte ruimte als waar ik nu sta. Niks te zien en benauwd. De ramen waren altijd beslagen. Sommige ouders drukten hun handen tegen het glas. Zo maakten ze kijkers naar de zwemmende kinderen.

Ik vlucht naar buiten. Een moeder steekt net een sigaret op. Ze staat naast een oudere man met een bril die naar het puntje van zijn neus is gezakt. In zijn mond rookt eveneens een stengel. Ik heb haar al eens eerder gezien. Alleen weet ik niet waar en wanneer.

‘Aan het begin van de vakantie waren we inderdaad gestopt’, zegt ze tegen de man met de bril. ‘Maar de eerste avond verveelden we ons zo dat we er eentje hebben opgestoken.’ Ze neemt een flinke hijs van de sigaret en blaast de rook naar de lucht.