De merels fluiten al geruime tijd niet meer. Ergens voordat de zomer goed en wel begonnen was floten ze niet meer. Ik heb ze niet meer gehoord. Ze zagen er mager en ondervoed uit. Kaal ook. Ik kreeg het idee dat het niet goed met ze ging. Zouden ze een ernstige ziekte onder de leden hebben.

Het enige geluid dat ze voortbrachten was het hoge gegil om gevaar mee aan te duiden. Zelfs dat gegil klonk niet zo hard als dat ik gewend van ze was. Tot ik gisteren allerlei zacht gezang meende te horen. Het klonk als het geluid van spreeuwen. Maar die zag ik niet. Een merel zat op de schutting. Het dier bleef er prachtig zitten en keek met een kraaloog in mijn richting.

Ik naderde het dier op heel weinig afstand. Het verenpak zag mooi donker. De snavel wees oranje vooruit. Het kopje ging een beetje schuin en keek afwachtend in mijn richting De snavel zat dicht en toch hoorde ik een heel zacht wijsje. Bijna niet te volgen. Het dier hipte een meter van mij weg en ging daar op de schutting zitten. Opnieuw het zachte gefluit.

Gelukkig is daar wikipedia. Over de Turdus merula zegt de online encyclopedie heel veel. Ik verwachtte dat deze merels overgekomen waren van verre, maar wikipedia zegt dat stadse merels dat niet doen. In tegenstelling tot hun soortgenoten in het bos. Over het zachte fluiten zegt wikipedia ook iets: ‘Tevens is een fluisterzang bekend, vooral buiten de broedperiode.’

Als antwoord op de vraag waarom ze zo vroeg stil waren dit jaar, geeft wikipedia: ‘Merels zingen het meest als hun wijfje op de eieren zit en vaak vanaf een hoog en duidelijk uitzichtpunt.’ De encyclopedie omschrijft de zang als weemoedig en melancholisch. Ook staan er de woorden ‘subliem’, ‘vol’ en ‘aangenaam’. Het zegt evenveel over de vogel als over mij.