Een losgetrokken radiator, losgeslagen vloeren en opengebroken muren. Ik fiets erlangs en kan mij niet onttrekken aan het beeld van de afbraak. Een grote slopershamer zit aan de graafmachine. Hier is gesloopt. Een gebouw toegetakeld. De muren, wanden en vloeren zwerven los in de lucht.

De stofwolk is nog niet helemaal weggetrokken. De werklui zijn er wel vandoor. Morgen weer verder, dan klinkt de hamer in de straat en brokkelt de muur verder af. Het gebouw moet plat. Wat de ontwerpers 25 jaar eerder bedacht hebben, voldoet niet meer. Het moet moderner, meer licht en meer ruimte. De illusie is belangrijker dan de waarheid.

Ik maak een foto. ‘Erg he’, zegt een man die voorbij loopt. Een zwerver is niet geïnteresseerd in afbraak en verval. ‘Kunt u iets missen?’ vraagt hij aan me. Ik heb geen tijd voor hem. Geen moment te verliezen, leve de afbraak. Hier komt niet iets moois, hier is iets moois. Afgebroken muren vertellen meer dan muren die opgebouwd worden.

Project Metropole vertelt een groot bord. ‘Op deze plek stond men ooit in de rij voor de beste plek’. De herinnering maakt plaats voor de belofte. Dromen spelen net zomin in het verleden als in de toekomst: ‘Binnenkort vind je hier bomvolle pashokjes’.

2 meisjes begroeten elkaar precies voor het bord. Ik durf hier geen foto van te maken. Ze letten niet op de schilderingen en de teksten. Ze zien elkaar en geven elkaar een zoen ter begroeting. Een nieuw ander gebouw zal de rijen moeten maken. Maar vooralsnog is de verbeelding groter en ziet de toeschouwer sloop en afbraak.

Wat geweest is, komt in elk geval niet meer terug.