Hij zit een rij banken verderop in de trein van Amsterdam-Zuid naar Almere. Een grote koffer staat rechtop naast hem. Daar kan niemand meer bij komen zitten. En dat in een drukke forenzentrein. Hij staart voor zich uit.  Afgedwaald door gedachten en de verse reis. Maar bijna zijn einddoel naderend.

Grijze haren, ouderwetse bril eveneens grijze sik. Op zijn hoofd draagt hij zo’n arbeiderspet die Van der Lubbe onsterfelijk heeft gemaakt. Zijn mond prevelt in de richting waar hij naar tuurt. Over het water. Als de vermoeide reiziger die al iets te lang alleen verkeert. Of hij verkeert in staat van gebed. Dat kan natuurlijk ook.

Ineens maakt hij zich los van zijn gebed. Hij schuift zijn bankrij uit en loopt op mij af. Heb ik weer. ‘Do you speak English?’ Ik knik aarzeldend. ‘May I ask you something?’ Opnieuw knik ik. Het licht er wel helemaal aan wat voor een vraag hij heeft natuurlijk. Of het volgend station ‘Central station’ is? Ik vraag hem wat hij bedoelt: Amsterdam Centraal? Hij knikt. ‘Dan zit u in de verkeerde trein’, antwoordt ik.

Ik probeer uit te leggen dat hij op Almere moet overstappen naar het andere perron. Hij baalt, slaat met zijn handen woest in de lucht en mompelt wat in zijn knauwerige Engels. ‘Don’t shoot the messenger’, denk ik. Maar hij laat me verder met rust en bedankt me zelfs met een kort knikje.

Hij trekt prevelend de zware koffer tussen de banken vandaan. De koffer draagt hij voor zich uit het gangpad door. Ik zie hoe hij van de trap stommelt om op de galerij uit te komen. Op het station help ik hem de weg naar de lift en wijs naar het andere perron (platform). Dan scheiden onze wegen zich. Ik naar huis. Hij verder op weg naar het doel waar hij even van afgedwaald was.