Het was 1998. F. Springer was gastschrijver aan de Universiteit Leiden. Ik dobberde in die tijd op en neer tussen Berlijn en Leiden. Ik slingerde net zo hard tussen twijfel en verdriet. Juist in dat jaar was daar de gastschrijver: F. Springer. Een pseudoniem voor Carel Jan Schneider.

Hij was ambassadeur geweest in Berlijn. Berlijn, de stad die ik net leerde kennen. De stad waar ik verliefd op was. Met hem wilde ik kennismaken. Hij, de beroemde schrijver, F. Springer. Ik had net daarvoor een prachtig interview met hem gelezen in Vrij Nederland. Over Berlijn. Precies de plekken waar ik ook was. Het Palast der Republiek, dat niet gesloopt werd vanwege de asbest. En de brede Frankfurter Allee.

Briljante verhalen
De verhalen over Berlijn kwamen soms even aan de orde bij de gastcolleges. Hij kon briljant vertellen. Niet de duffe stof over de voorbeelden van F. Springer, maar de prachtige verhalen over Indonesië, ambassadeurs en expats. Ook vertelde hij over de hoogleraars in Leiden.

Cleveringa was in zijn versie niet bepaald een oorlogsheld. De repetitor voor het examen evenmin. Deze zou zo idolaat van Cleveringa zijn geweest, dat zelfs zijn haar hetzelfde zat. Prachtige verhalen waarin we lachten om de komische wendingen.

Happy days
En we lazen zijn verhalen. Dan vertelde hij over het begin van ‘Happy days’. Wat mij betreft zijn mooiste verhaal. In de openingszin wordt het hele verhaal verteld:

“Op een avond in juni ’55 verliet onze jaargenoot Bert Kooistra, vierdejaars rechten, vroeger dan zijn gewoonte was de sociëteit, wandelde naar de Hooigracht, schreef in zijn kamer nog een briefje voor de hospita (‘mevrouw K, morgen geen melk’), schoof dit onder zijn deur de gang op, kleedde zich uit, slikte ongeveer twintig slaappillen (die hij in de loop van de voorgaande maanden op recept verzameld bleek te hebben), kroop onder de dekens, deed het licht uit en stierf nog voor het aanbreken van een mooie vrijdag, want juni was mooi dat jaar.”

Echt zo gebeurd, vertelde hij erbij. En dan vertelde hij uitvoerig over de schok die de zelfmoord onder de studenten teweeg had gebracht. Daarna lazen we een verhaal van zijn voorbeelden Guy Maupassant of Scott Fitzgerald.

Kinderlijke hanenpoten
Of de Albert Verweij-lezingen. Waarbij hij ontroerend vertelde over hoe hij als klein jongetje zorg droeg voor de bibliotheek van zijn vader. Terwijl zijn vader in het kamp zat, schreef hij in kinderlijke hanenpoten duidelijk zijn naam en adres. Uiteindelijk moest ook hij het kamp in. Hij huilde omdat hij zich niet aan de belofte voor zijn vader kon houden goed voor de boeken te passen:

“Enkele jaren na de oorlog werd er bij ons in Den Haag een kist bezorgd, vol Goethe, Lessing, Heine, Schiller, met sporen van waterschade en veel platte, uitgedroogde kakkerlakken ertussen. Kort briefje van een onduidelijke instantie erbij: ‘Aangetroffen in Depot 10 te Bandoeng en aan eigenaar te retourneren onder rembours.’ En die eigenaar was ik, want mijn naam en ons Bandoengse adres stonden op alle schutbladen, uitstekend leesbaar vanwege de hanenpoten.
Mijn vader keek mij aan. ‘Je hebt je belofte gehouden,’ zei hij.”

Sterven en betrekkelijkheid
Verhalen waarin sterven en de betrekkelijkheid van het leven duidelijk naar voren kwamen. Maandag is F. Springer overleden. In de lijst met voornemens lag een brief die ik aan hem wilde sturen. Ik kwam hem op een receptie tegen. Hij vierde zijn 70e verjaardag en Indische letteren vierde dit met een lezingenmiddag en een mooi gastoptreden van Joop Visser. O, wat hebben we gelachen. De grote afwezige was zijn vrouw. Ik zag dat hij haar miste.

Ik gaf hem een hand. ‘Ha, Hendrik-Jan’, zei hij. Ik was even zenuwachtig als eerder. Mijn hand trilde terwijl ik hem de hand gaf. ‘Hoe is het?’ vroeg hij. Ik knikte en liet zachtjes iets horen als teken dat het goed ging. ‘Ik wil u een brief schrijven, maar het komt er niet van’, verontschuldigde ik gelijk daarna. Ik wilde schrijven van mijn voorliefde voor Berlijn. En over de vrouw op wie ik verliefd geweest was. ‘Schrijf die brief. Schrijf!’ zei hij. Hij keek langs me heen naar de persoon achter mij, riep een naam en vroeg lachend hoe het ging.

Nadoen
Later trof ik mijn scriptiebegeleider Peter van Zonneveld nog eens. ‘Je moet de groeten hebben van Springer’, zei hij. ‘En tjonge, wat kan hij je goed nadoen.’ Het floepte eruit. Hij schrok er zelf van en verontschuldigde zich. Ik knikte dat het niks gaf, maar vond het ergens best een compliment. Welk verhaal F. Springer erbij geserveerd had, weet ik natuurlijk niet.

En dat verhaal over die liefde in Berlijn las ik uiteindelijk. Zonder ooit die brief te hebben verstuurd. Vorig jaar verscheen de langverwachte roman over Berlijn: Quadriga, Een eindspel. Over een journalist op zoek naar zijn liefde in Berlijn. In het boek, het jaartal 1998. Precies mijn tijd. En het jaar waarin ik hem ontmoette op 12 gastcolleges.

Rust zacht, Carel Jan Schneider!