Ik haal haar op de fiets op en rij direct van het station naar de bso. Schoenen aan, jas aan en de spullen uit het bakje. Er duikt een schrift en een tekening op. Het tasje met de lege drinkbeker en broodtrommel bengelt aan mijn arm.

De lampjes op de fiets knipperen nog. Ik til haar op de bagagedrager. Ze klemt haar voeten precies over de fietstassen heen. Ze houdt zich goed vast. Mijn rugtas drukt net niet tegen haar gezicht.

Ik fiets ze tuurt tussen de bomen en ziet de maan in de schemering opkomen. ‘Zie de maan schijnt door de bomen’, zingt ze enthousiast. De moeilijke zin van de makkers die hun wild geraas moeten staken, is lastig maar komt er toch uit. Nog een paar dagen en dan is het heerlijk avondje.