image

Hij hangt half tegen het raam. Ineens trekt hij zjjn mobieltje uit de jaszak. Alsof hij een revolver trekt. Zijn grove vingers slaan op de toetsen. Hij wacht even ongeduldig en begint dan woest te schreeuwen.

Het is een klein mobieltje. Het pas ruimschoots in zijn handpalm. Hij blaft ongedurig in het telefoontje. Ik versta de taal niet. De taal slaat hoog en laag, hakkelt links en rechts en neemt een paar flinke uithalen naar opzij. Zijn snorharen trillen mee. Ze tikken tegen het metaal van het toestel.

Even plotseling als het begon, zo houdt het lawaai ook op. Hij tuurt op de display van zijn toestel, waarna hij het met een boze blik op het treintafeltje werpt. Met evenveel souplesse waarmee hij zojuist zijn mobieltje uit zijn broekzak haalde, tovert hij iets anders tevoorschijn. Hij frunnikt wilt aan het plastic folie en haalt een pasje eruit. Dezelfde noeste vingers toetsen de code van het pasje in het toestel.

Ik verwacht dat hij de telefoon pakt en weer woest begint te schreeuwen. Hij doet het niet, zucht heel diep en tuurt naar buiten. Zijn vingers trekken aan zijn snor. Hij zucht nog eens, pakt het mobieltje en stopt het in zijn zak. Dan staat hij op, want de trein remt af voor het station.En hij loopt weg. Op het tafeltje laat hij het pasje liggen. Beltegoed staat erop. Het verbaast me dat die dingen nog bestaan.