We fietsen tegen de wind in een rondje Weerwater. De kerstkaart net in de bus bij de vriendjes, een tweeling. Haar haren blazen op door de wind. Op het water dobberen een eindeloze reeks hoentjes. De golfjes spelen kleine kopjes op de wind.

Een vrouw voor ons is gestopt. Ze hangt half naar achteren in haar fietstas. De tas kleurt
vrolijke tinten tegen de grijze lucht. De flap schiet omhoog, gegrepen door de wind. Mevrouw pakt een grote zak. Het vierkante witbrood hoekt de plastic zak. Ze grijpt en hengelt er een vierkante boterham uit.

Ze zwengelt haar arm omhoog. De korsten brood zwiepen mee als de wieken van de molen. De wind grijpt de broodkorsten en smijt ze driftig op het fietspad. We komen net aangereden. De meeuwen zwermen op de paar korsten. Daarna zwermen ze op elkaar. Ze jakkeren achter elkaar. Wild fladdert de meeuw met de enorme korst brood omhoog. Hij schiet links en rechts. Zo ontwijkt hij zijn jagende soortgenoten. In de drukte van het ontwijken schiet de korst uit zijn snavel.

De korst valt naar beneden. De wind probeert het brood te grijpen in de vrije val. Maar een meeuw is hem voor. Tevreden schreeuwt hij de overwinning naar zijn soortgenoten. Zij beginnen gelijk de jacht op de meeuw en scheren vlak over ons hoofd.

‘Sorry’, zegt de vrouw. Ze morrelt net het vierkante brood in haar fietstas. De flap gaat op en neer op de wind. ‘Ik wilde de eendjes voeren, maar de wind stuurde het brood de verkeerde kant op.’ Ik zie nergens eendjes. Alleen krijsen meeuwen over onze hoofden. Ze zwermen achter elkaar aan en maken de hemel nog grijzer dan ze is.

We fietsen verder. De vrouw haalt ons wat later in. Ze heeft haar jas dichtgesnoerd. Haar grote boezem drukt het nepleer fier vooruit. De buik drukt de ristsluiting vooruit. Ze kijkt streng. De grijze haren wapperen mee op de wind en maken haar gezicht nog iets strenger.

Voorbij de bocht staat ze stil. Ze kijkt aarzelend om zich heen en hangt weer in haar fietstas. De flap wappert weer vrolijk op en neer. De paar eendjes in de gracht komen in beweging. Nog voordat ze haar hand in de zak gestoken heeft, duikt de zwerm meeuwen naar beneden. Ze krijsen de broodkruimels tegemoet.

Met een smak valt vlak voor onze neuzen een stuk brood op het asfalt. De vrouw kijkt angstig in onze richting. Ze stapt op de fiets en rijdt snel weg. Achter haar wappert de flap uitdagend. Alsof de fietstas zegt wat wij denken.