De enig bewaard gebleven Blauwe tram bij een ritje in het Openlucht museum te Arnhem (bron: wikipedia)

Bij het lezen van de (autobiografische) verhalen van F.B. Hotz in stuit ik regelmatig op de blauwe tram. Een keur uit Hotz’ prachtige verhalen is namelijk onlangs verschenen onder de titel Mannen spelen, vrouwen winnen. De bloemlezing is samengesteld en ingeleid door Hotz-biografe Aleid Truijens.

Hotz spreekt in deze verhalen vol liefde over de tram die tot begin jaren ’60 tussen Leiden en Katwijk reed. De trams reden door de Rijnsburgerweg in Oegstgeest. Daarnaast reed de blauwe tram tussen Den Haag, Leiden, Haarlem en Amsterdam via allerlei verbindingen.

Verschillende spoorbreedtes
Er waren verschillende spoorbreedtes. Tussen Amsterdam en Zandvoort/Bloemendaal reden de trams op spoor van een meter breed. Tussen Leiden en Haarlem reed de tram op normale spoorbreedte. Vanaf de jaren ’30 rijden deze trams op stroom.

De tram in de verhalen van Hotz is meer dan figuratie. Ze vervult bijna de rol van een personage. Bijvoorbeeld in het verhaal ‘De verplaatsing’. Hierin rijdt de tram van Leiden naar Haarlem sinds kort op stroom. De rit door de bollenstreek eindigt abrupt. Hij moet overstappen. Er is een ongeluk gebeurd. Een oud vrouwtje is verongelukt voor de tram.

‘Een zei het niet te begrijpen: al jaren woont dat vrouwtje daar, ze was toch gewend aan de tram. ‘Maar niet aan de elektrische!’ zei een wegwerker snel en met listige, haast triomfantelijke ogen, ‘die is zó bij je!’ (223)

Het ongeluk heeft een functie in het verhaal. Het drukt de zwaarmoedige sfeer van het verhaal uit. De hoofdpersoon hoort van zijn moeder dat zijn vader voorgoed weg wil. Om het huwelijk te redden gaan ze verhuizen van de Weg in Leiden naar Haarlem Noord. In een kort tevoren opgeleverd huis aan een doodlopend straatje komen ze terecht. ‘Alles liep hier dood, wat m’n zus en mij betrof’, zegt de verteller.

Weekendje naar de Weg
Dan mogen broer en zus na lang dralen een weekendje naar de grootouders aan de Weg. Ze ontsnappen even aan het slechte huwelijk van hun ouders. Als de dag nadert dat ze terug moeten, verzint oma een attractie voor de terugreis. Ze mogen met de even tevoren geëlectrificeerde tram naar Haarlem terug. ‘Naarmate de avond naderde hing er iets van onheil in de lucht.’ (219)

Bij deze reis gebeurt het. Er is een ongeluk gebeurt. Het lichaam van het oude vrouwtje dat aangereden is, ligt in een rieten mand op een handkar. De kar wordt weggereden. ‘De man sjokte voort in de regen en het kale licht. Niemand wees hem de weg. En in die mand lag wat er over was van een mens.’ (222)

De tram drukt de sfeer in het verhaal. Is geworden tot een personage. Dat gebeurt meer in de tramverhalen van Hotz. Zoals in zijn debuutverhaal ‘De tramrace’. Ook hier maken machines zich los van de mensen die ze bedienen. Ze worden tot heuse wezens die een rol spelen in het verhaal.

In de voorbereiding op een recensie voor Litnet, volgen de komende dagen een paar blogs over trams en de verhalen van F.B. Hotz. Morgen: Hotz en de Budapester.