Het duister houdt de ochtend nog in de houdgreep. Ik stap de trein uit. Voor mij lopen de forensen in de richting van de trap. Ze schieten voorbij. Geroutineerd omdat het iedere ochtend dezelfde tocht is. Langs de 2 stempelautomaten die vreemd genoeg haaks op de trap staan.

Voor mij loopt de man met zijn haar in een zware scheiding. De ouderwetse bril en de tas die hij strak om zijn nek draagt, geven hem de streng gereformeerde uitstraling. Naast hem zouden Jan Peter Balkenende en Piet Hein Donner als jongelui overkomen.

Op de trap zakt een man met een leren jack naar beneden. In zijn mond bengelt de peuk die hij in de trein gedraaid heeft. Als elke morgen. Een paar dagen geleden was hij druk in gesprek met iemand die hij kende. Hij vertelde dat hij twitterde. ‘Waar twitter je dan over?’ vroeg de man met wie hij in gesprek was. ‘Nou, gewoon over alles.’

De man met de scheiding passeert hem. Ze lopen gelijk op naar de uitgang van het station. Zonder kijken stappen de twee langs de bakker waar de dikke vrouw het afbakbrood uit de oven haalt. Als elke morgen rond deze tijd. De mannen lopen in hetzelfde tempo naast elkaar in de richting van de donkere uitgang.

Sinds een week hangt daar een nieuwe overkapping. Het heeft iets van een tentzeil of een tarp. Het zweeft boven alles uit, omhoog gehouden door stalen palen, waar het doek zich tot een punt samenbalt. De schuifdeuren gaan open voor de voorlopers van de groep mensen. Het beekje forensen stroomt in de richting van de hoge kantoorgebouwen aan de Zuid As.

‘En ik moet je eerlijk zeggen dat ik soms het idee heb dat ik geleefd word’, hoor ik de man met de scheiding zeggen tegen de man die de peuk al in de mond heeft. De sigaret die al in de trein gedraaid is, smacht naar de ontbranding van het vuur. ‘In plaats van dat ik leef’, vult de scheiding zichzelf aan. De aansteker licht het gezicht van de man in het leren jack. De peuk gloeit op.

Of ze nu samen stil blijven staan, of dat de wegen scheiden. Ik weet het niet. Ik durf niet om te draaien. Pas veel verderop draai ik. Normaal loopt de man met de strakke scheiding in het haar een eind met mij op. Hij trekt altijd vlak langs de gebouwen. Schuw om het vogelvrije tochtkanaal dat tussen de hoogbouw loopt. Nu hoor ik zijn stappen niet.

In de middagpauze blader ik in de boekwinkel in In de polder van Kader Abdolah. Ik lees: ‘Op het boekenbal miste ik Remco Campert. Iedereen was er, maar Campert niet.’ Wat verder de prachtige dubbelzinnige zin, verklaard in de volgende: ‘Remco Campert wordt nooit oud. Wie zulke zinnen maakt, blijft voor altijd.’

De schrijver van het stukje, Mirza, leest Campert als hij terugkomt van het boekenbal met het thema ouderdom. Hij denkt aan zijn oude oom Aga Djan en besluit hem op te bellen. Het is dan wel midden in de nacht, het moet. Bovendien zou hij al wakker moeten zijn voor het ochtendgebed. Zijn oom neemt op. Hij hoort zijn stem en is tevreden. Oom heeft ook geen tijd, hij moet gaan bidden.

Dan neemt Kader Abdolah de bundel van Campert weer op. Hij citeert de volgende dichtregels:

Als ik doodga
hoop ik dat je er bij bent
dat ik je aankijk
dat je mij aankijkt
dat ik je hand nog voelen
kan.

Hoe kan iemand zich in godsnaam laten leven in de waan van de dag. De poëzie schudt je wakker en geeft het leven terug. Ik lees niet een gedicht over doodgaan, maar over leven en liefde. En ik ben zo blij dat iemand mij dat weer vertelt.