Ondoorgrondelijk is het brein van pubers. Wispelturig ook. En vooral onvolwassen. Terwijl ze natuurlijk van zichzelf vinden dat ze volwassen zijn. Alleen zien al die volwassenen dat niet.

Zo fietste ik vanmiddag met mijn 6-jarige dochter – nee, die is nog geen puber – naast mij op weg naar de nieuwe bibliotheek. Dat ging niet helemaal in een rechte lijn. Een groepje pubermeisjes fietste ons tegemoet. Ze fietsten met z’n drieën naast elkaar. We naderden elkaar. De meisjes weken geen duimbreed. Ik probeerde zo dicht mogelijk naast mijn slingerende dochter te rijden.

Het stuur van mijn tegenligger en dat van mij gleden rakelings langs elkaar heen. ‘Tjonge’, verzuchtte het meisje. Haar mond maalde gelijktijdig een dot kauwgom mee. ‘Ziet-i dan niet dat ik eraan kom.’ Ik was te druk met het begeleiden van mijn kleine meid om ook maar iets met die opmerking te doen.

Het verbaasde mij dat het meisje blijkbaar zo vanuit zichzelf denkt. Het kwam gewoon niet in haar op dat ik niet anders kon. We fietsten verder in de richting van de nieuwe bibliotheek. Daar zochten we heerlijk boekjes uit en speelden met de grote blokken. Ik maakte een iglo voor haar met een dakje. Dankbaar zat ze erin gekropen.

We sloten het bezoek af met een plas. Gelijk met haar ging een meisje naar het toilet. Ik wachtte in de deuropening. Doris was een fractie eerder bij het fonteintje om haar handen te wassen. Ze kreeg de zeep niet uit de verdeler. Het pubermeisje hielp haar allervriendelijkst en kneep in de dispenser. De handdoek hing veel te hoog. Behulpzaam trok het meisje de handdoek naar beneden.

Hoe dezelfde pubers bijna tegenovergesteld handelen. Ik was net zo verbaasd als eerder bij de fietsende pubermeisjes. Het zijn net mensen die pubers, dacht ik.

We reden terug in het donker. Zenuwachtig voor al die drukke kruispunten. De avondspits was in volle hevigheid losgebarsten. Helemaal geobsedeerd door het knipperende fietslampje slingerde ze nog meer dan anders. ‘Kijk papa, dat verkeersbord knippert net als mijn lichtje’, zei ze. Het lampje stond iets te hoog afgesteld.

Ik was helemaal trots dat we alle drukke kruispunten hadden overleefd. Daar reden we weer op het fietspad, vlak naast elkaar. De begroeiing langs de kant maakte het pad gelijk een stuk minder breed. Achter ons tringelde een bel ongeduldig. Rakelings langs mij schoot het stuur van een fiets. Een puberjongen.