Ze fietste naar huis terwijl ik mijn rondje hardlopen begon. Ik groette. Ze keek aarzelend. Ik was bijna voorbij, waarna ze enthousiast terug groette. Bij thuiskomst vertelde ik Doris dat ik haar juf had gezien.

‘Je moet de groeten hebben’, grapte ik. ‘Hoezo?’ vroeg ze. ‘Ik kwam haar tegen en toen kreeg ik de groeten.’ Ze keek me ernstig aan. ‘Ja, ik laat ze niet in mijn zak zitten’, grapte ik. ‘Heeft ze echt de groeten gedaan?’ ‘Nee, ik kwam haar tegen en daarom geef ik je de groeten.’

Een klein weekje later bracht ik Doris naar school. Deze juf zie ik niet zo vaak, want ze werkt op andere dagen dan ik Doris breng. Ze verontschuldigde zich tegen mij. ‘Ik zag je rennen en ik wist even niet wie je was. Toen Doris de volgende dag de groeten deed, wist ik het weer.’

Zo waren de groeten die in haar zak zaten er eindelijk uit.