De zon scheen vlak over het dak van de huizen aan de overkant. Zo kwamen de stralen heerlijk warm binnen. Buiten mocht alles wel besneeuwd en beijsd zijn, binnen kreeg de winterzon het behaaglijk warm.

De meeuwen vlogen laag over de gracht. Een vrouw aan de overkant hengelde uit een plastic zak grote hompen brood en wierp dat op het ijs. Het schoof een eindje over het bevroren water en werd dan opgepikt door een krijsende meeuw.

Voor ons huis stond een jongetje stil. Hij tuurde vanonder zijn gebreide muts omhoog. De lucht was blauw, maar zijn ogen volgenden iets anders. Ik zag zijn mond opengaan, achter de dartelende meeuwen aan. Een stuk brood viel naar beneden, iets naast hem.

Opnieuw opende hij zijn mond. Ik hoorde een krijs. Precies als dat van de meeuwen. Nog een stuk brood. Hij speelde het spel mee. De krijs kreeg antwoord met een krijs. Het jongetje keek om zich heen. Zijn moeder riep hem. Hij volgde. Maar niet voordat hij nog een harde krijs losliet.

De vrouw aan de overkant wierp de laatste homp brood uit haar tas. Het brood rolde van het talud af en plofte op het ijs. Een kluit meeuwen dook erop. Krijsend en gillend. Alsof ze dagen niks gegeten hadden. Voor mij – op het pad – zag ik de 2 hompjes brood op het trottoir liggen. Tussen de sneeuw als bewijslast voor het tegendeel.