Het ritselt onder mijn bureau. Ik weet het zijn de muizen. In een ooghoek zag ik iets wegschieten. Onder de radiator. Muizen zie je altijd in een ooghoek. Je meent iets te zien maar als je goed kijkt, dan is het verdwenen. Het zou een geest kunnen zijn, maar het is een muis.

Nu zie ik hem. Hij zit onder de radiator. De kraaloogjes kijken me intens aan. Hij is mager, de ribben verschijnen als hij uitademt. Zijn lijf trilt. Het mondje staat open. De holle ogen en het open mondje maken hem tot een gasmasker.

Een week geleden kwamen medewerkers van een firma gespecialiseerd in ongediertebestrijding. Ze plaatsten kartonnen doosjes met openingen. Op de bureau’s legden ze een folder neer. ‘We kunnen de muizen niet uitroeien’, staat erin. ‘Maar we kunnen de overlast tot een minimum beperken.’

Het roze kleurtje rond de mond, doet vermoeden dat de muis wat van de gifkorrels heeft gegeten. ‘We verspreiden gif in lokdoosjes’, vertelt de folder. De muizen sterven aan inwendige bloedingen. Als het diertje doodgaat en het lijk kan niet worden opgespeurd, zitten de medewerkers 24 uur in de stank.

Ik weet het van een jaar geleden. Ondraaglijke stank. Meer dan een week in de lijklucht. Nu sta ik oog in oog met de muis die straks sterft aan de inhoud van het doosje. Hij kijkt me aan. Nog even, schiet weg, komt weer terug, kijkt me langdurig aan. Ik zet hem op de foto waarna hij verdwijnt. Een laatste groet schiet achter langs de bureau’s en kruipt onder een ladenkast.

Ik ben benieuwd wanneer de lucht vertelt dat het echt voorbij is. Te laat om de laatste zin van het foldertje te lezen: ‘Weetje: chocolade werkt als een antigif.’