Ze schuiven naar binnen op het station Weesp. ‘Morgen is het afgelopen’, zegt de dochter. De jongen die schuin tegenover haar is gaan zitten, zucht. ‘Nou morgen kun je nog wel schaatsen. Het begint dan met dooien’, antwoordt haar vader die naast haar broer een plekje heeft gevonden.

Ze turen naar buiten. De trein vertrekt. Vader, zoon en dochter gaan natuurlijk naar hetzelfde evenement als ik. ‘Het is wel jammer dat de NS nog tot dinsdag zo blijft rijden’, zegt vader. De dochter kijkt hem aan. ‘Er rijden minder treinen he?’ ‘Ja’, reageert vader. ‘Laat uitgerekend mijn trein de trein zijn waar ik altijd in zit. Ik doe er een stuk langer over’

‘Als het dooit moet je wel uitkijken voor wakken, merkt de zoon op. Vader en dochter knikken. ‘Hoe zit dat eigenlijk met wakken?’ vraagt de zoon. ‘Moet je nou wel of niet over een lichtere plek schaatsen.’

‘Dat heeft te maken met sneeuwijs. Daar zie je een wak aan de kleur. Hoe lichter het wak, hoe dunner het ijs.’ ‘Hoe komt dat eigenlijk?’ ‘Dat heeft te maken met de lichtinval’, zegt vader. ‘IJs heeft een andere breking van het licht dan water.’ Hij zegt het zelfverzekerd.

Ze knikken. De stellige beweringen van vader klinken steeds onzekerder. ‘Ik weet ook niet hoe het precies in elkaar zit. Google maar even.’ Vrijwel gelijktijdig pakken zoon en dochter de android en de blackberry. De kleine schermpjes lichten op. ‘Ik heb het’, roept de dochter. Ze begint een verhaal op te dissen over ijswakken.

‘Dat doet er toch niet toe. Wat voor een soort wakken er zijn’, reageert vader stuurs. ‘We hebben maar tot Amsterdam Zuid. De zoon bladert op zijn blackberry. ‘Sneeuwijs kan levensgevaarlijk zijn’, draagt hij voor. ‘Het sneeuw smelt op het ijs en vriest later weer op. Dat ijs is levensgevaarlijk.’ ‘Precies’, zegt vader. ‘Dat bedoel ik.’

De trein rijdt het station binnen. Amsterdam Zuid staat op de informatieschermen. De temperatuur buiten: -2.