boomtakWe lopen in het park. Ze vraagt of ze in de boom mag klimmen. Het is een puntige boom midden in het park. De boom staat tegenover het kinderspeelplaatsje dat met de jaarwisseling ten prooi is gevallen aan vandalisme. De zandbak met glasscherven is het enige dat rest.

Ze rent over het grasveld in de richting van de klimboom. De stam splitst. De takken steken als een indianentooi omhoog. Ze klimt er behendig in omhoog. De twee voeten geklemd tussen de takken, maken het tot een soort trappetje omhoog. Ik kies het pad door de bossages. Dan kom ik achter de boom uit. Zo heeft ze nog even de tijd te klimmen. De 2 honden volgen. Of beter gezegd de ene trekt, de andere slentert achter me aan.

Als ik op het pad achter de bosjes loop, zie ik haar niet meer in de boom. Dan ineens hoor ik gegil. Ik denk dat het wel meevalt, maar het gegil wordt heftiger. Die is gevallen, schiet door me heen. Ik begin een drafje te maken. Teuntje die voorop loopt, vindt het heerlijk. Saartje die achteraan bengelt alsof ze een staartje van mij is, vindt het wat minder. Ik trek haar voort.

Als ik het hoekje van de bossage passeer, zie ik haar in de boom. Ze hangt aan een tak. Haar benen schieten heen en weer, net als haar armen. Ik weet niet of het wel klopt wat ik zie. Ze schreeuwt. Brult. In de verte, aan de andere kant van het veld laat iemand zijn hond uit. Ik ren met de honden naar haar toe. Trek Saartje mee achter mij aan, sneller dan ze kan.

Ze hangt aan de achterflap van haar jas aan een tak van de boom. Ze brult. Tranen lopen over haar wangen. Ik til haar op en haal haar naar beneden. ‘Wat is er gebeurd’, vraag ik. ‘Ik wilde aan de tak hangen, maar ik bleef hangen in de boom.’ Ze had losgelaten en hoopte dat de jas niet sterk genoeg was. Dan zou ze vanzelf naar beneden komen. Maar de ruim anderhalve meter boven de grond leek me voor een val ook wel ruig.

Gelukkig was ik sterk genoeg. Ik word als een held onthaalt en ik voel me ook een beetje een held. ‘Zullen we naar huis gaan?’ vraag ik. De schrik nog in de benen. De honden willen nog even troosten. ‘Nee, ik wil nog even klimmen in die boom.’ Ze wijst naar de andere boom. De takken wijzen eveneens omhoog. En ze klimt hoger dan de vorige keer.

Ik kan er nu niet meer bij om haar te bevrijden als het misgaat. De held op sokken. Ik kan heel veel, maar in een boom klimmen…