Als muizen konden lezen...

Ze zeggen dat als je er eentje ziet, er wel 15 zijn. 1 muis is al gauw een plaag, zeggen ze. Onzin natuurlijk. Als je er eentje ziet, is er eentje. Met hoeveel we zijn, weten wij zelf niet eens. We kruipen door kieren en gangen. Vooral de luchtroosters zijn mooie doorgaande wegen. In het halfduister zoeken we onze weg. Waar we precies zitten weten wij alleen. Soms denken ze ons te horen. Dan ritselt er iets boven hun hoofd of in de buurt van hun voeten. Verder horen ze ons niet.

Het is ook een hele verantwoordelijkheid. Je scharrelt zoveel mogelijk dagelijks je kostje bij elkaar. We zijn hier met velen. Door de hoge waterstand en de vele bouwactiviteiten in deze buurt zitten er veel muizen in de kantoren op de Zuidas. Dat beweren ze. Onzin natuurlijk. Wij zitten overal. Het is overleven. We vinden overal wel een gaatje. Dat ligt niet aan een hoge waterstand. Ook laag water daagt ons uit een gebouw binnen te dringen.

Wie het hier echt goed hebben, zijn de proefdieren. Deze muizen leven in hokjes volgens voorschriften, krijgen een knuffel volgens voorschriften en de verwarming slaat op tijd aan volgens voorschriften. Dat ze in ruil daarvoor wat poeder, een injectie of ander voer krijgen, vinden zij niet erg. Ik ben er laatst bijna binnen geweest. Volgens Harry is het onmogelijk daar te komen. Alleen hem is het gelukt. En het is inderdaad moeilijk binnen te dringen in die steriele ruimtes.

Vorige week is er iets naars gebeurd. We konden het eerst nog wel allemaal overzien. Dan was er een groot lokaal boordevol met vallen. Daar sneuvelde slechts een enkeling. Nu is elke kamer voorzien van aanlokkelijke hokjes met daarin verleidelijk voedsel. Er wordt veel van gegeten. Ik vertrouw het niet. Laatst nam ik een hapje. Ik kon even niks vinden en het rook wel erg lekker. Ik vond het akelig smaken.

Terwijl alles in mij schudde en ik voelde hoe mijn binnenste zocht naar een uitweg. Die was er niet. Alles brandde. Het leek of ik gloeiende kooltjes van de hete barbecue of warme asdeeltjes van het kampvuur naar binnen had gewerkt. Mijn binnenste stond in vuur en vlam. Mijn hele lijf sidderde. Er restte mij niet veel meer dan te kijken naar de immense man. Die aan de grote tafel zat. Hij tuurde naar een groot licht terwijl ik uit het hokje schoot.

Alles was anders. Alles draaide en leek te veranderen in een zee van licht. We keken elkaar aan. Hij bleef rustig zitten en ik bleef rustig zijn. Mij hele lijf schudde alle kanten op. Mijn mond trilde en ik voelde mij als iemand in oorlog. Mijn kop vervormde tot een gasmasker. De mond vormde de grote tuit waardoor ze ademen en mijn ogen groeiden tot de raampjes waardoor de militairen in een gasaanval turen.

De man nam een groot blad en keek erin. Op de buitenkant sierde een soorgenoot. Wel vele malen groter. Hij zat in een graanbad. Overal graan en de lekkerste zaken. Hoe verschilde hij van mijn leven hier in de jungle. Zelden tref ik een bad van graan aan. Op die enkele keer van een leeg dienblad vol brood en etensresten na.

De man liet een paar korrels chocoladehagelslag op de grond vallen. Ik trof het onderweg aan. Ik pakt de chocolade en nam het gretig tot me. Weer zat ik en keek de man aan. Mijn lijf sidderde, maar het trillen minderde. Het verdween zelfs en ik voelde hoe de rust in mijn lichaam terugkeerde. Dit had lang genoeg geduurd. Snel vloog ik weg. Ik moest de anderen waarschuwen. Blijf uit de buurt van die hokjes. Ze laten genoeg achter op andere plekken. Er is meer dan genoeg.