De trein rijdt het station binnen. Een vertraging van 2 minuten, zegt het informatiebord. Ik zie hoe het voertuig remt. De cabine komt dichterbij. Ik sta oog in oog met de bestuurster. Haar blonde haren rusten op haar schouders en vallen als een waterval langs haar nek. We kijken elkaar even vlug aan.

De reizigers rennen naar de deur. De trein stopt precies bij mij. Ik sluit aan bij de rij wachtenden. De deur van de cabine gaat open. De bestuurster kijkt om het hoekje. ‘Even spieken hoor’, zegt ze. ‘U wilt even kijken of de deuren goed opengaan’, vraagt een nieuwsgierige reiziger. ‘Nee’, zegt ze. ‘Ik wil even weten wie er in- en uitstappen.’

Ze kijkt naar me als ik instap. Knikt mij goedendag. Ik geef een kort knikje terug. Bijna gelijktijdig fluit het fluitje van de deur. De vertraagde trein moet weer gaan. Haar cabinedeurtje klapt alweer dicht. Tijd om te gaan. Het voorgeschreven uur is al voorbij.

Als ik in Almere uitstap, staat het deurtje al open. Ze tuurt langs de opengeslagen treindeuren heen. Ze kijkt me kort aan. Mompelt verlegen gedag. Ik mompel kort van hetzelfde. De vertraging is ingelopen. De trein staat klaar op het voorgeschreven uur. Ze kijkt me na als ik het perron afloop. De fluitjes van de deuren fluiten schel door het station. De cabinedeur klapt dicht, de deuren sluiten en de trein rijdt weg.