Hij liep traag door de uitgang. Aan zijn hand trok hij de trolleykoffer vooruit. De wieltjes trommelden over het steentjesmotief van de straat. Zijn gedachten waren niet bij de koffer. Hij keek verdwaasd uit zijn ogen. Het hoge bankgebouw, het grote plein. Zijn ogen speurden naar het Damrak en de Dam.

In zijn vrije hand lag een smartphone. Hij tuurde van het scherm over het plein. Het plein was leeg en verlaten. Het weer dreef elke bezoeker naar binnen. Hij keek weer op de letters van zijn mobieltje. Ik zag de dikke witte letters op het schermpje.

Maar waar zijn afspraak was. Iets terug, meer naar de ingang, zat een meisje. Ze tuurde ook naar de letters op haar smartphone. Even zag ik een glimlach, daarna tikte ze iets in en keek vol verwachting naar het scherm. De jongen liep verder het lege plein op. Hij bewoog de telefoon naar zijn oor. Bij haar was het stil.